Phytosciara halterata (Lengersdorf, 1926)

Diptera, Sciaridae

mijn mijn voldiep, aanvankelijk gangachtig, vaak vertakt en onregelmatig van breedte, later bijna blaasvormig. De mijn heeft openingen, waardoor een deel van de frass wordt weggewerkt. De larve verlaat regelmatig de mijn en begint elders opnieuw. Oudere larven leven vrij en veroorzaken venstervraat, waarbij de mijn vaak geheel of gedeeltelijk wordt overlopen.

Vaak worden twee nabijgelegen bladeren met slijm verkleefd; van daar uit wordt dan verstervraat veroorzaakt (Seidel, 1956a).

Bij klein hoefblad worden ook pseudo-mijnen gemaakt, doordat de larve wèl de onderpidermis mee wegvreet, maar de dichte beharing onverlet laat.

mine mine full depth, initially a much branched corridor, irregular in width, in the end almost a blotch. The mine has openings by which part of the frass is ejected. The larvae frequently leave the mine to restart elesewhere. Older larva live free and cause window feeding, often erasing their old mines.

Often two close by leaves are glued together with slime; from there the larvae cause window feeding (Seidel, 1956a).

In Coltsfoot also pseudo-mines are made, when the larve eats away the lower epidermis with the leaf tissue, but spares the dense hair cover.

waardplanten: breed polypfaag op lage kruiden van beschaduwde standplaatsen

hostplants: boradly polyphagous on low herbs in shady situations

Adoxa moschatellina; Arctium lappa, minus; Caltha palustris; Carduus crispus, nutans; Chrysosplenium alternifolium; Cirsium arvense, oleraceum, palustre, vulgare; Doronicum austriacum; Ficaria verna; Glechoma hederacea; Lactuca alpina; Lamium maculatum; Lobularia maritima; Lycopus europaeus; Menyanthes trifoliata; Myosotis palustris, sylvatica; Petasites albus; Plantago major; Prunella vulgaris; Pulmonaria officinalis; Ranunculus acris, breyninus, ficaria, lanuginosus, repens; Senecio ovatus; Silene dioica; Stachys sylvatica; Tussilago farfara.

Het meest genoemd wordt Tussilago farfara.

Most often mentioned is Tussilago farfara.

fenologie Larven vanaf eind juli (Buhr, 1956a).

phenology Larvae from the end of July (Buhr, 1956a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Finland tot de Alpen, en van Engeland tot Polen; Slovenië (Maček, 1999a; Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Finland tot the Alps, and from Britain to Poland; Slovenia (Maček, 1999a; Fauna Europaea, 2009).

larve Langgerekt, zonder poten, maar met een herkenbaar kopkapsel.

larva Elongated, without feet, but with a recognisable head capsule.

synoniemen Lycoria halterata.

synonyms Lycoria halterata.

literatuur

references

Beiger (1965a, 1970a), Buhr (1933a, 1941b, 1956a, 1964a), Hering (1928a, 1931-32f, 1957a), Maček (1999a), Michalska (1970a, 1976a), Mohrig & Menzel (1994a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1983a), Seidel (1957a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Starý (1930a), Surányi (1942a), Utech (1962a).

27/01/2017