Xeniomyza ilicitensis de Meijere, 1934

Diptera, Agromyzidae

mijn Zeer smal, vooral in het begin sterk gespiraliseerd gangetje, niet langer dan 1 mm. De larve kan via de stengelschors naar een ander blad verhuizen. Frass in lastig zichtbare korreltjes. Verpopping buiten de mijn.

mine Very narrow gallery, especially its first part strongly spiralled, not longer than 1 mm. The larva can migrate to another leaf by way of the rind of the stem. Frass in indistinct grains. Pupation external.

waardplanten: Amaranthaceae, oligofaag

hostplants: Amaranthaceae, oligophagous

Salicornia; Suaeda maritima, vera.

fenologie Larven van mei tot september (Hering (1957a).

phenology Larvae from May to September (Hering (1957a).

verspreiding binnen Europa Spanje (Fauna Europaea, 2010); volgens Hering (1957a) ook Zuid-Frankrijk.

distribution within Europe Spain (Fauna Europaea, 2010); according to Hering (1957a) also southern France.

larve Beschreven door de Meijere (1934a); achterspiraculum met 7-9 papillen.

larva Described by de Meijere (1934a); rear spiraculum with 7-9 papillae.

puparium Ca 1 mm, bruingeel tot roodbruin.

puparium C. 1 mm, brownish yellow to reddish brown.

literatuur

references

Buhr (1941b), Hering (1936b, 1957a), de Meijere (1934a), Nowakowski (1960b).

13/07/2010