Blasticotoma filiceti Klug, 1834

Hymenoptera, Blasticotomidae

mijn De mijn bestaat uit een gangetje van nog geen 2 cm in de bladsteel, dus nauwelijks langer dan de larve zelf, meestal op een decimeter boven de grond. De mijn heeft een opening op hoogte van het achtereind van de larve en een tweede veel kleinere opening op hoogte van de kop; soms zijn er meer van de kleine openingen, naarmate de larve groter wordt. De larve niet zozeer van plantenweefsel als wel van sap dat de mijn binnenstroomt. De larve produceert een klont schuim, gelijkend aan dat van een spuugbeestje. Meestal worden er rondom de mijn mieren aangetroffen, waarschijnlijk aangetrokken door dit suikerrijke schuim (Liston, 2007a). De mijn is het gemakkelijkst te vinden door te zoeken naar een combinatie van zwarte verkleuring van de bladsteel + een paar verdorde bladslippen daar in de buurt + mieren. Niet zelden verscheidene larven in een blad (de Meijere, 1911a).

mine The mine consists of a short corridor in the petiole, barely 2 cm in length -hardly longer than the larva itself-, usually at about a decimeter above the ground. The mine has an opening at the level of the rear end of the larva, and another one, much smaller, at the level of its head. Sometimes there are more openings, when the larva has grown larger. The larva does not feed on the plant tissues, but on the sap that oozes into its cell. The larva produces at the rear opening a mass of froth, quite like the at made by a spittle bug. Usually ants are attracted to the froth, presumably because of its sugar content (Liston, 2007a). The mine can be found easiest by looking for a combination of ants, a black discolouration of the petiole, and some withered leaf segments nearby. Not unfrequently several larvae may occupy one frond (de Meijere, 191a).

waardplanten: Filicales, oligofaag

hostplants: Filicales, oligophagous

Athyrium distentifolium, filix-femina; Dryopteris.

Ook wel andere varens worden soms genoemd (Polystichum, Matteucia struthiopteris, Pteridium aquilinum), maar wijfjesvaren is zeker de belangrijkste waardplant.

Als other ferns are mentioned sometimes (Polystichum, Matteucia struthiopteris, Pteridium aquilinum), but Lady-fern doubtless is the most important host plant.

fenologie Volgroeide larven in eind juli-begin augustus

phenology Full grown larvae in end July - early August.

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (de Meijere, 1911a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

NE recorded (de Meijere, 1911a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Zweden en Finland tot de Pyreneeën, en van Ierland tot de Ukraïne (Bowdrey, 2008a; Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Sweden and Finland tot the Pyrenees, and from Ireland to the Ukraine (Bowdrey, 2008a; Fauna Europaea, 2008).

larve Groenwit met bruinige kop (de Meijere, 1911).

larva Greenish white with pale brown head (Meijere, 1911).

opmerkingen Net zoals bij de mijnen van Cystophora-soorten kan hier met bijna evenveel recht van een gal worden gesproken.

notes Just like the mines of Cystiphora species with almost as much right one could consider these structures galls.

literatuur

references

Birjukova & Novgorodova (2008a), Blank ao (1998a), Bowdrey (2008a), Buhr (1964a), Hering (1957a), Liston (2007a), de Meijere (1911a), Pschorn-Walcher & Altenhofer (2006a), Redfern & Shirley (2011a), Robbins (1991a), Shcherbakov (2006a, 2008a), Taeger, Blank & Liston (2006a), Taeger ao (1998a), Tomasi (2014a).

19/02/2014