Antispila metallella (Denis & Schiffermüller, 1775)

Lepidoptera, Heliozelidae

Cornus sanguinea, Nieuwendam

Antispila metallella mine

Cornus sanguinea, Nieuwendam

zelfde mijn, detail

Antispila metallella mine

same mine, detail

Cornus sanguinea, Gulpen; coll. JC Koster, herbarium-materiaal

Antispila metallella mine

Cornus sanguinea, Gulpen; coll. JC Koster, herbarium mterial

mijn Aanvankelijk een kort gangetje nabij de bladrand, plotseling overgaand in een grote blaasmijn, die zich vaak over het begingangetje uitbreidt. De larve maakt uiteindelijk een ovale uitsnede met een lengte van 5.5-7 mm, laat zich daarmee op de grond vallen. In deze uitsnede, die nu als zak dient, leeft de larve vervolgens vrij. Al voor de winter vindt in de uitsnede de verpopping plaats (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a).

Voordat het wijfje het ei afzet, maakt ze eerst een aantal voorprikjes, die later vaak terug te vinden zijn als een gebogen rijtje van 2-7 bruine vlekjes loodrecht op de begingang (Heath & Pelham-Clinton, 1976a).

mine Initially a short corridor close to the leaf margin, suddenly widening into a large blotch, that often overruns the corridor. Fianly the larve makes an oval excision of 5.5-7 mm long, and drops with it to the ground. In this excision, that now functions as a case, the larve continues, living free. Before the onset if winter pupation takes place within the case (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a).

In preparation of the oviposition, the female makes number of test punctures, that often can be seen as a curving row of 2-7 brown spots perpendular to the initial corridor (Heath & Pelham-Clinton, 1976a).

waardplanten: Cornaceae, monofaag

hostplants: Cornaceae, monophagous

Cornus alba, mas, sanguinea.

Tenminste in Nederland is C. sanguinea de belangrijkste waardplant.

At least in the Netherlands C. sanguinea is the most important host.

fenologie Larven worden minerend gevonden in juli-augustus (Heath & Pelham-Clinton, 1976a).

phenology Mining larvae in July - August (Heath & Pelham-Clinton, 1976a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE Niet algemeen (voor het eerst gevonden door Doets, 1950a, in Geulhem), maar soms in grote aantallen optredend.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE reorded (Phegea, 2009).

NE Uncommon, first found as late as 1950 (Doets, 1950a), but sometimes locally numerous.

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot de Pyreneeën, Italië en Roemenië, en van Engeland tot Rusland (Fauna Europaea, 2009; van Nieukerken ea, 2012a).

distribution within Europe From Scandinavia to the Pyrenees, Italy and Romania, and from Britain to Russia (Fauna Europaea, 2009; van Nieukerken ao, 2012a).

synoniemen Antispila pfeifferella Hübner, 1813.

synonyms Antispila pfeifferella Hübner, 1813.

literatuur

references

Ahr (1966a), van As & Ellis (2004a), Bengtsson (2008a), Borkowski (2003a), Buhr (1935a, 1964a), Doets (1950a), Drăghia (1967a, 1968a, 1971a), Dziurzynski (1958a), Grandi (1931a, 1933a), Heath & Pelham-Clinton, 1976a), Hellers (2016a), Hering (1924a, 1957a, 1961a), Huber (1969a), Huemer & Erlebach (2003a), Huisman & Koster (1994a, 1995a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & van Frankenhuyzen (1999a), Kuchlein & de Vos (1999a), Lhomme (1934c), Maček (1999a), Michna (1975a), van Nieukerken, Wagner, Baldessari, Mazzon, Angeli, Girolami, Duso & Doorenweerd, (2012a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), De Prins & Steeman (2013a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Skala (1949a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Szőcs (1977a, 19981q), Zoerner (1969a).

15/01/2017