Antispila treitschkiella (Fischer von Röslerstamm, 1843)

Lepidoptera, Heliozelidae

Cornus mas, Nieuwendam; begin october 2009 bereikte de soort opnieuw plaagdichtheden; vrijwel geen enkel blad was minder zwaar bezet (dit blad was bovendien aangedaan door een behangersbijtje [Megachile]).

Antispila treitschkiella mines

Cornus mas, Nieuwendam; early October 2009 the species again reached pest densities; almost no leaf was less heavily infested (this leaf moreover had been visited by a leafcutter bee [Megachile]).

Cornus mas, Nieuwendam: verlaten mijn

Antispila treitschkiella mine

Cornus mas, Nieuwendam: vacated mine

jonge mijn met larve

young mine with larva

Cornus mas, Roemenie, Bacau distr., Hemeius: uitgesneden zakje met larve; © Camelia Ureche

Antispila treitschkiella case with larva

Cornus mas, Romania, Bacau distr., Hemeius: cout-out case with larva; © Camelia Ureche

mijn Ovipositie gewoonlijk vlakbij de bladrand. Vandaar begint een gangetje van ca. 1 cm; het bevat veel frass, is aan het begin vaak wat gekronkeld, en loop gewoonlijk vlak langs de bladrand. Dan keert de larve zijn richting om (©), en begint tegelijkertijd aan een voldiepe blaasmijn, die enige centimeters breed en lang kan worden. De frass ligt hier verspreid in losse korrels. De volgroeide larve bekleedt een ovaal gedeelte aan de rand van de blaas van binnen met een lichtbruin perkamentachig laagje van spinsel, snijdt dit vervolgens los en laat zich daarin op de grond vallen. De uitsnede die zo ontstaat is 4-5.5 mm lang.

In tegenstelling tot bij A. metallella maakt het wijfje bij de ovipositie geen voorprikjes (Dziursynski, 1958a; Heath & Pelham-Clinton, 1976a). In tegenstelling tot bij metallella heeft de larve dorsaal op alle lichaamssegmenten een centrale zwarte vlek, goed te zien ook zonder de mijn te openenen. (De larve ligt meestal ruggelings in de mijn).

mine Oviposition usually close to the leaf margin. From there starts a corridor of about 1 cm; it contains much frass, is often somehat tortuous in its beginning and as a role closely follows the leaf margin. After a moult the direction reverses (picture) and the larva starts making a full depth blotch that can become several cm long and wide. Here the frass is lying in scattered grains. The full grown larva covers an oval section at the margin of the blotch with a light brown pergamon-like layer of silk, cuts this loose and drops within it to the ground. The excision that is made is about 4-4.5 mm long.

Contrary to A. metallella the female does not makes test punctures before ovipsition (Dziursynski, 1958a; Heath & Pelham-Clinton, 1976a). Also contrary to metallella the larva has a row of black spots on all abdominal segments, easily visible without opening the mine. (The larva usually lies belly-up in the mine.)

waardplanten: Cornaceae, nauw monofaag

hostplants: Cornaceae, narrowly monophagous

Cornus mas, sanguinea.

In Nederland, en ook de meeste delen van Europa, treedt de soort vrijwel alleen op op de parkplant C. mas, maar in zuidelijk België wordt hij ook veel gezien op C. sanguinea (Chris Snyers in litt.)

In the Netherlands, and also in other parts of Europe the species almost exclusively occurs on the ornamental shrub C. mas, but in southern Belgium it also is seen often on C. sanguinea (Chris Snyers in litt.)

fenologie Volgens de Engelse literatuur worden bezette mijnen gevonden van eind augustus tot begin october (Heath & Pelham-Clinton, 1976a), maar in elk geval in de laatste jaren treedt er in Nederland daarvoor nog een larvengeneratie op in juli, die in augustus vlinders levert (Huisman ea, 2005a).

In Nederland tot voor kort zeldzaam, maar zich sterk uitbreidend (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a). Vanaf 2003 hier en daar masaal (van As & Ellis, 2004a).

Overwintering als larve, in het zakje ( Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a).

phenology According to the British literature occupied mines are found from end-August to early October (Heath & Pelham-Clinton, 1976a), but in the latest years another, early larval generation occurs in July, that produces adults in August (Huisman ao, 2005a).

Until recently a rare species in the Netherlands, but strongly expanding (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a). From 2003 here and there mass occurences are seen (van As & Ellis, 2004a).

Hibernation as larva, in the case ( Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1999a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Zuidelijk van de lijn Engeland - Ukraïne, ontreekt echter in het Iberisch Schiereiland en de Middellandse Zee-eilanden (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe South of the line Britain - Ukraine, but missing in the Iberian Peninsula and the Mediterranean Islands.

pop Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Antispila petryi Martini, 1898; A. stachjanella Dziurzyński, 1948.

Een vrijwel vergeten publicatie van Dziurzyński (1952a) heeft twijfel doen ontstaan over de lang geaccepteerde synonymie van petryi met treitschiella. Volgens Dziurzyński mineert petryi uitsluitend op Cornus sanguinea, treitschkiella alleen op C. mas; ook zouden de larven van petryi op het mesonotum een zwarte vlek hebben die bij treitschkiella ontbreekt. Een artikel waarin deze problemtiek wordt uitgewerkt is in voorbereiding (van Nieukerken et al.).

synonyms Antispila petryi Martini, 1898; A. stachjanella Dziurzynski, 1948.

An almost forgotten publication by Dziurzyński (1952a) has created doubt about the long-accepted synonymy of petryi and treitschiella. According to Dziurzyński petryi mines exclusively on Cornus sanguinea, while treitschkiella feeds only on C. mas; also the larva of petryi haas a black spot n the mesonotum that is missing in treitschkiella. A paper dealing with this confusion is in preparation (van Nieukerken et al.).

opmerkingen Gewoonlijk is de ovipositie vlakbij de bladrand; maar in sommige Nederlandse populaties ligt ca 50% van de mijnen vrij van de bladrand.

notes Usually the oviposition is close to the leaf margin; but in some Dutch populations about 50% of the mines is free from the leaf margin.

literatuur

references

van As & Ellis (2004a), Beiger (1979a), Bengtsson (2008a), Borkowski (2003a), Buhr (1935a), Buszko & Beshkov (2004a), Corley, Marabuto & Pires (2007a), Deschka & Wimmer (2000a), Dziurzyński (1948a, 1952a, 1958a), Embacher, Kurz & Zeller-Lukashort (2004), Heath & Pelham-Clinton (1976a), Hellers (2016a), Hering (1957a, 1961a), Huber (1969a), Huemer (1986b), Huisman & Koster (1995a), Huisman ao (2005a), Kasy (1983a, 1987a), Klimesch (1950c), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & van Frankenhuyzen (1999a), Kuchlein & de Vos (1999a), Lhomme (1934a), Kurz & Kurz (2007a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Skala (1949a, 1951a), Skala & Zavřel (1945a), Starý (1930a), Steuer (1995a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

15/01/2017