Apterona helicinella (Herrich-Schäffer, 1857)

Lepidoptera, Psychidae

case Zak in de vorm van een slakkenhuisje, ca 3 mm in diameter, bekleed met zandkooreltjes. Het huisje is duidelijk lager dan breed. De larve maakt vanuit deze zak vlekmijnen in de bladonderzijde. In tegenstelling tot bij Coleophora-soorten wordt de zak tijdens het eten niet met spinsel vastgezet, zodat de zakje bij aanraking vrijwel meteen van het blad vallen. Verlaten mijnen zijn te herkennen doordat het gat waardoor de larve zich toegang tot de mijn heeft verschaft niet zuiver rond rond is, en uiteraard geen rand van spinsel-stoppeltjes heeft.

zak Case heicoid, about 3 mm in diameter, covered with fine sand grains. The case is distinctly lower than high. From this case fleck mines are eaten in a leaf underside. Contrary to Coleophora species, the case is not anchored to the leaf with spinning. This makes that the cases may drop to the ground upon the slightest touch. Abandoned mines can be recognised because the hole that gave the larva entrance to the mine is not neatly circular and obviously misses the fringe of silken stubbles around the margin.

waardplanten: Polyfaag

hostplants: Polyphagous

Cistus; Convolvulus; Hordeum; Isatis; Lotus; Teucrium.

fenologie Larven in april.

phenology Larvae in April.

verspreiding binnen Europa Spanje, Italië, Griekenland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Spain, Italy, Greece (Fauna Europaea, 2009).

literatuur

references

Hering (1957a), Skala (1948a).

29/02/2012