Argyresthia fundella (Fischer von Röslerstamm, 1835)

Lepidoptera, Yponomeutidae

Abies nordmanniana, Amsterdam (kerstboom voor het Centraal Station); leg. Albertine Ellis-Adam

Argyresthia fundella: mine on Abies nordmanniana

Abies nordmanniana, Amsterdam (Xmas tree in front of the Central Station); leg. Albertine Ellis-Adam

mijn Mijn gewoonlijk alleen in de tophelft van een naald. Aanvakelijk vreet de larve naar de top toe, daalt dan in de andere helft van de naald af. De meeste frass bevindt zich in de top van de naald. Aan de basis van de mijn een rond, met spinsel dichtgemaakt gaatje, waardoor de larve de mijn verlaat. De larve mineert enkele naalden (voor de overwintering 1 of 2), en overwintert in de mijn. Gemineerde naalden zijn opvallend wittig. In tegenstelling tot bij andere Abies-mineerders worden gemineerde naalden niet bijeengesponnen. Verpopping buiten de mijn aan de onderzijde van een naald.

mine Mine usually only in the distal half of a leaf. Initially the larva works towards the tip, then descends along then other side of the leaf. Most frass is accumulated in the tip of the leaf. At the base of the mine a round hole, closed with silk, by which the larva leaves the mine. The larva mines several leaves (1 or 2 before hibernation), and hibernates in the mine. Mined leaves are strikingly whitish. Contrary to other Abies miners, mined leaves are not connected by spinning. Pupation external, at the underside of a leaf.

waardplanten: Pinaceae, monofaag

hostplants: Pinaceae, monophagous

Abies alba, balsamea, concolor, grandis, nordmanniana, numidica.

Door onder meer Koch (1928a) ook vermeld van Picea, maar dat wordt door latere auteurs als gebaseerd op misdeterminatie verworpen.

Also mentioned from Picea by, among others, Koch (1928a), but this is rejected as misidentification-based by later authors.

fenologie Larven van de nazomer tot in april (Koch, 1928a; Hering, 1957a).

phenology Larvae from late-summer to April (Koch, 1928a; Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en Wit-Rusland tot de Pyreneeën, Italië en Bulgarijë, en van Frankrijk tot de Ukraïne (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Scandinavia and Belarus to the Pyrenees, Italy, and Bulgaria, and from France to the Ukraine (Fauna Europaea, 2009).

larve Lichaam afgeplat, spoelvormig, min of mmeer vuil-donkergroen; kop glanzend zwart; prothoracale en anale plaat, en borstpoten, bruin. Het laatste paar buikpoten (naschuivers) is gereduceerd, elk heeft nog maar 4-6 haakjes (Patočka, 1960a).

larva Body flattened, spindle-shaped, more or less dirty dark green; head shining black; prothoracic and anal plate, and thoracic feet brown. Anal prolegs reduced, with only 4-6 crochets (Patočka, 1960a).

pop Beschreven door Patočka (1960a, 1997a), Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka (1960a, 1997a), Patočka & Turčáni (2005a).

literatuur

references

Baran (2009a), Bengtsson & Johansson (2011a), Buhr (1935a,b), Doets (1940a), Hering (1957a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Patočka (1960a, 1997a), Patočka & Turčáni (2005a), Skala & Zavřel (1945a), Starý (1930a), Surányi (1942a), Szőcs (1977a).

24/04/2016