Argyroploce arbutella (Linnaeus, 1758)

Lepidoptera, Tortricidae

mijn Voldiepe onregelmatige blaasmijn, met weinig, verspreide frass. De larven verlaten spoedig de mijn, leven daarna tussen samengesponnen bladeren.

mine Full depth irregular blotch, with little, dispersed frass. The larvae soon vacate their mine to live free among spun leaves.

waardplanten: Ericaceae, oligofaag

hostplants: Ericacease, oligophagous

Arctostaphylos uva-ursi; Vaccinium vitis-idaea.

fenologie Larven in april-mei (Hering, 1957a).

phenology Larvae in April - May (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

NE waargenomen (Romeijn, 1994a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2009).

NE recorded (Romeijn, 1994a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Fennoscandia en Noord-Rusland tot de Pyreneeën, Sardinie, Italië en Bulgarijë, en van Ierland tot Polen en Roemenie (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Fenniscandia and northern Russia to the Pyrenees, Sardinia, Italy, and Bulgaria, and from Ireland to Poland and Romania (Fauna Europaea, 2009).

larve Geelbruin; kop, halsschild, anale plaat en borstpoten bruinzwart. Buikpoten met 20-30 haakjes in een dubbele rij (Swatschek, 1958a).

larva Yellow-brown; head; prothoracic and anal plate, and thoracic feet brown-black. Prolegs with 20-30 hooks in a double row (Swatschek, 1958a).

literatuur

references

Adamczewski (1947a), Hering (1921b, 1957a), Klimesch (1950c, 1956c), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Romeijn (1994a), Sønderup (1949a), Swatschek (1958a).

13/04/2012