Bucculatrix absinthii Gartner, 1865

Lepidoptera, Bucculatricidae

mijn Aanvankelijk een draaddun gangetje met een centrale frassline. In een later stadium leven de larven vrij, bijten nabij de bladrand gaten in de bladschijf en maken van daaruit een vlekmijn. Verpopping in een witte tot geelwitte, spoelvormige, fijn geribde cocoon.

mine Initially a very fine corridor with a central frass line. At a later stage the larvae live free, bite holes in the leaf near the margin and make fleck mines from there. Pupation in a white or yellowish-white, spindle-shaped, finely ribbed cocoon.

waardplanten Artemisia absinthium.

hostplants Artemisia absinthium.

waardplanten: Asteraceae, mnonofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Artemisia absinthium.

fenologie Larven in april-mei en juli (Hering, 1957a). Bivoltien, overwintering waarschijnlijk als ei of jonge larve (Patočka, 1996a).

phenology Larvae in April-May and July (Hering, 1957a). Bivoltine, hibernation probably as egg or young larva (Patočka, 1996a).

BENELUX

Niet waargenomen in de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

Not recorded in the Benelux countries (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot Frankrijk en Italië, en van Duitsland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to France and Italy, and from Germany to Roumania (Fauna Europaea, 2007).

pop Beschreven door Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a).

literatuur

references

Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Burmann (1991a), Buszko (1992b), Hering (1957a), Klimesch (1937b, 1956a, 1958c), Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a), Skala & Zavřel (1945a), Svensson (1971a), Szőcs (1977a).

14/04/2012