Bucculatrix demaryella castaneae Klimesch, 1950

Lepidoptera, Bucculatricidae

mijn De mijn begint bij een ovaal, onderzijdig ei. Van daar een voldiep kort gangmijntje, vaak langs de hoofdnerf of een dikke zijnerf. Het grootste deel van de mijn met een brede frasslijn. De larve verlaat al vrij spoedig de mijn, en vreet dan vensters, later gaten in de bladeren. De frass-loze ruimte in de mijn waar de larve heeft gezeten (de larvekamer) is meer dan driemaal zo lang als breed.

mine The mine begins at an oval, lower-surface egg. Here begins a short, full depth corridor, often along the midrib or a thick vein. Most of the mine with a thick frass line. The larva soon leaves the mine, and starts causing window-feeding, later earing holes in the leaf. The larval chamber (the space occuped by the larve, while in the mine, obviously free of frass) is more than three times as long as wide.

waardplanten: Fagaceae, monofaag

hostplants: Fagaceae, monophagous

Acer; Castanea sativa.

verspreiding binnen Europa Alpen.

distribution within Europe Alps.

pop De pop van de typische vorm wordt beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

pupa The pupa of the typical form is described by Patočka & Turčáni (2005a).

literatuur

references

Burmann (1991a), Hering (1957a), Klimesch (1950c), Szőcs (1977a).

02/05/2011