Cacoecimorpha pronubana (Hübner, 1799)

Lepidoptera, Tortricidae

mijn Gewoonlijk is de anjermot geen mineerder, maar bij planten met een dikke cuticula wordt het eerste larvestadium wel tot mineren gedwongen. Het resultaat dan is een voldiepe gangmijn van enkele cm lang met onregelmatig uitgevreten randen; de frass wordt volledig naar buiten gewerkt. Gewoonlijk leven de larven leven vrij tussen samengesponnen bladeren.

mine Generally the Mediterranean carnation leafroller is not a leafminer, but in plants with a thick cuticula the first larval instar may be forced to mine. The result then is a full depth gallery of some cm with irregularly scalloped sides; all frass is ejected. Usually the larvae live free among spun leaves.

waardplanten: Zeer polyfaag

hostplants: Strongly polyphagous

Dianthus.

Anjer is niet alleen de voornaamste waardplant, maar ook een vand e planten waar de soort soms minerend optreedt.

Carnation is not only the main hostplant, but also one of the plants wthere the species sometimes occurs as a miner.

fenologie Larven in juni en augustus-september (Hering, 1957a); in zuidelijke streken en kassen zijn er meer generaties.

phenology Larvae in June and August - September (Hering, 1957a); more generations in southern regions and greehouses.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2010).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Van Nederland tot Iberië de Middellandse Zee-eilanden, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe From the Netherlands to Iberia and the Mediterranean Islands, and from Ireland to Romania (Fauna Europaea, 2010).

larve Lichaam bruinig tot donker groengrijs met lichtere pinacula. Kop licht tot donker bruin, prothoracale plaat geelgroen met zwarte vlekken. Lichaam bij sterke vergroting bedekt met talloze microscopische bruine doorntjes (Swatschek, 1958a; Bradley ea, 1973a).

larva Body brownish to dark greenish grey; pinacula lighter. Head light to dark brown; prothoracic plate greenish yellow with black markings. Under strong magnification the integument is covered with a fine brown spinulation (Swatschek, 1958a; Bradley ao, 1973a).

pop Zie Patočka & Turčáni (2005a).

pupa See Patočka & Turčáni (2005a).

opmerkingen Treedt ook in kassen op, en is vooral dan niet zelden plaagvormend.

notes May also occur in greenhouses, and especially then not rarely a serious pest.

literatuur

references

Bradley, Tremewan & Smith (1973a), Buchner (2004a), Corley (2005a), Hering (1957a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Swatschek (1958a).

17/06/2014