Cameraria ohridella Deschka & Dimic, 1986

Lepidoptera, Gracillariidae

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; een nog bijna gaaf blaf

Cameraria ohridella mines

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; a lightly infested leaf

Aesculus hippocastanum, Arnhem; zelfs dit is nog een vrij lichte aantasting

Cameraria ohridella mines

Aesculus hippocastanum, Arnhem; even this is a rather light infestation

Aesculus hippocastanum, Domburg: larve in de mijn; © Camiel Doorenweerd

Cameraria ohridella mine with larva

Aesculus hippocastanum, Domburg: larva in the mine; © Camiel Doorenweerd

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; eischaaltje en begingang. Het ei wordt meestal afgezet in de buurt van een nerf, terwijl de mijn gewoonlijk dikkere nerven niet overschrijdt. Het gevolg is dat ei en begingang meestal niet door de mijn worden overlopen, maar aan de buitenrand ervan blijven liggen.

Cameraria ohridella egg

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; egg shell and initial corridor. The egg mostly is deposited near a vein, while as a rule the mine doesn't cross thicker veins. As a result the egg and corridor are generally not run over by the later blotch, but remain at its outer margin.

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; een soortgelijke ©, met doorvallend licht, genomen van een jonge mijn. Het eischaaltje is hier nog niet verdroogd, en bijna glashelder (bij gunstige belichting is er soms een zeshoekige oppervlaktestructuur op te zien).

Cameraria ohridella egg

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; a similar picture, lighted from behind, of a young mine. The egg shell has not yet dried, and is very transparant (under a favourable illumination a hexagonal surface structure sometimes is visible).

Aesculus flava, Putten, Schovenhorst: deze soort werd licht aangetast

Cameraria ohridella mines

Aesculus flava, Putten, Schovenhorst: this species was lightly infested

mijn De mijn begint met een vlak, ovaal en ietwat iriserend eischaaltje op de bladbovenzijde. Vandaar loopt een epidermaal gangetje van enkele mm, dat plotseling overgaat in een uiteindelijk langgerekte, bovenzijdig blaasmijn, vaak tussen twee zijnerven; de mijn is kaneelkleurig, met een donkergekleurd centrum. De frass is niet korrelig, zoals bij Phyllonorycter-soorten, maar bestaat een teerachtige laag op de bodem van de mijn. Het aantal mijnen kan tot enkele tientallen per blad oplopen. Verpopping in de mijn.

mine The mine begins at a flat, oval, somewhat iridescent egg shell at the upperside of the leaf. There starts an epidermal corridor of some mm, that abruptly widens into an upper-surface blotch. The blotch is elongate, often confined between by a pair of lateral veins; its colour is cinnamon, with a darker centre. The frass is not granular, like in Phyllonorycter species, but consists of a tarlike substance covering the floor of the mine. The number of mines can be as much as several tens per leaf. Pupation occurs within the mine.

waardplanten: Sapindaceae, oligofaag

hostplants: Sapindaceae, oligophagous

Acer pseudoplatanus; Aesculus flava, hippocastanum.

Paardenkastanje is de belangrijkste waardplant. Alleen plaatselijk wordt een populatie aangetroffen op esdoorn, en dan nog alleen als er kastanjes in de buurt staan (zie ook Péré ea, 2010a).

Horse chestnut is the primary hostplant. Only here and there populations are found on Maple, and then only when Chestnuts are not far away (see also Péré ao, 2010a).

fenologie Larven van midden mei tot in october. In midden juni kunnen de laagste takken van de bomen al zo zwaar zijn aangetast dat er bladverlies optreedt. Overwintering als pop, in de afgevallen bladeren.

phenology Larvae from mid-May till October. Alread in mid-June the lower branches may be so heavily attacked that leaves are dropped. Hibernation as pupa, in the fallen leaves.

BENELUX

BE eerste waarmeming in 2000 (W & J De Prins, 2001a).

NE ee eerste waarneming in Nederland dateert van 1998 (Stigter ea, 2000a; van Nieukerken, 2001a).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE first observation in 2000 (W & J De Prins, 2001a).

NE observed in the Netherlands since 1998 (Stigter ao, 2000a; van Nieukerken, 2001a).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa. Deze soort is pas in 1985 in Macedonië voor het eerst waargenomen (de soortsnaam verwijst naar het Ohrid-meer). Daarom, een ook omdat het de enige Europese vertegenwoordiger is van het geslacht Cameraria heeft men lang verondersteld dat het om een recente introductie ging vanuit Noord-Amerika, waar dit geslacht met een aantal soorten voorkomt. Tegen die veronderstelling pleitte echter dat ohridella niet uit Noord-Amerika bekend was (Lakatos ea, 2005a). Recent onderzoek (Valade ea, 2009a) heeft nu aangetoond dat ohridella wel degelijk een Europese soort is. Bovendien is op basis van herbarium-materiaal vast komen te staan dat de soort al tenminste sinds 1879 in Europa voorkomt (Lees ea, 2011a).

Sinds zijn ontdekking heeft de soort zich in hoog tempo over vrijwel heel Europa uitgebreid.

distribution within Europe All Europe. The species was discovered as recently as 1985 in Macedonia (it specific name refers to Lake Ohrid). Therefore, and also because it is the only known representative in Europe of the genus Cameraria, one has long assumed that it concerned a recent introduction from North America, where a number of species of this genus are known to occur. A problem with this hypothesis was that ohridella was not known from North America (Lakatos ea, 2005a). A recent study by Valade ao (2009a) has unequivocally demonstrated now that ohridella indeed is a European species. Moreover, a study of herbarium material has demonstrated that the species occurs in Europe since 1879 at least (Lees ao, 2011a).

Since its discovery the species has in a very short time invaded almost all Europe.

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; beginnende aantasting (voorzomer). De soort vormt een bedreiging voor de vele aangeplante paardenkastanjes in onze streken. De aantasting begint vooral aan de lagere takken. Later in de zomer zijn bij deze bomen ook de hogere delen van de kruin geheel aangetast, en uiteindelijk geheel ontbladerd.

Cameraria ohridella, infestation

Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; early stage of infestation (early summer). The species forms a threat for the many ornamental Horse Chestnut trees in our region. The infestation begins at the lower branches. Later in summer also the higher parts of the crown are attacked, and in autumn there is total defoliation.

opmerkingen De bomen op de © hierboven hebben bijzonder te lijden omdat ze met hun voet in een struweel staan. In het najaar zamelt zich hier veel afgevallen blad op, dat niet kan worden verwijderd en ook niet wegwaait. Omdat de poppen in de mijn, in het afgevallen blad overwinteren is in het voorjaar de aantasting al meteen maximaal.

Verwar deze mijnen niet met de vlekken die veroorzaakt worden door de schimmel Phyllosticta paviae (= Guignardia aesculi); die hebben een veel meer roestrode kleur, vaak met een heldergele zoom, zijn groter en meer onregelmatig van vorm. De sporen van deze schimmel kiemen in het voorjaar op natgeregende bladeren, en de aantasting kan vooral na een regenrijk voorjaar heel sterk zijn.

Zie Freise & Heitland (1999a), Pschorn-Walcher (1994a) en Skuhravy (1999a) voor de biologie van de soort. Heitland, Kopelke & Freise (2003a) geven een samenvatting van de stand van zaken van het onderzoek naar, en de bestrijdingsmogelijkheden van, de kastanjemineermot.

Als de dichtheid van de mijnen zo groot wordt dat ze elkaar gaan raken (en het beschikbare blad dus bijna opgegeten is) gaan de poppen al in rust (diapause), ook als het seizoen nog niet voorbij is. Daardoor kan ohridella een optimaal gebruik maken van de beschikbare hoeveelheid voedsel (Sefrová 2001b; Sefrová & Laštuvka, 2001a).

notes The trees in the picture above are particulary hit because their feet are in an ornamental dense shrub. Fallen leaves are trapped here in autumn; the cannot be removed and are not blown away. Because the pupae hibernate in these fallen leaves the infestion already is maximal in spring.

The mines should not be confused with leaf spots caused by the fungus Phyllosticta paviae (= Guignardia aesculi); these have a much more brick-red colour, often seamed bright yellow, are larger, and more irregular in shape. The spores of this fungus germinate in spring on leaves that are moistened by rain, and infestation can be particularly heavy after a rainy spring.

See Freise & Heitland (1999a), Pschorn-Walcher (1994a) and Skuhravy (1999a) for the biology of this speccies. Heitland, Kopelke & Freise (2003a) summarise the research of possible control measures.

When the density of mines becomes so large that they touch each other (meaning that the available leaf material is almost finished) the pupae go into diapause, even though the season is not far advanced. This enables ohridella to optimise the utilisation of the available food (Sefrová 2001b; Sefrová & Laštuvka, 2001a).

vervelling als insectenlarven vervellen gebeurt dat doordat het oude integument dorsaal spijt. Grebennikov ontdekte dat Cameraria hierop een uitzondering vormt. Mogelijk als aanpassing aan de beperkte ruimte die de mijn biedt splijt hier het integument aan een zijkant, waarna de larve met een zijdelingse beweging uit de oude huid kruipt. Maar bij de laatste vervelling, die van larve naar pop en die plaats vindt in een wat ruimere cocon, splijt het integument weer dorsaal!

moulting an essential element in the moulting of insect larvae is the mid-dorsal split of the integument. As Grebennikov found, Cameraria forms an exception to that rule. Possibly as an adaptation to the limited space available in the mine, here the integument splits at a side of the body, upon which the larva creeps out of its old skin by lateral movements. But in the latest moult, from larva to pupa, that place in a cocoon, the integument splits dorsally!

literatuur

references

Augustin (2005a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Buszko & Beshkov (2004a), Csóka (2001a, 2003a), Deutschmann (2008a), Dietrich (2007a), Diškus & Stonis (2012a), Freise & Heitland (1999a), Grabenweger ao (2007a), Grebennikov (2013a), Heitland, Kopelke & Freise (2003a), Huemer & Erlebach (2003a), Ianovici, Matica & Scurtu (2010a), Jaworski (2009a), Johne, Weißbecker & Schütz (2006a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Lakatos ao (2005a), Lees ao (2011a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Nel, Leraut, Nel & Varenne (2003a), Nel & Varenne (2014a), van Nieukerken (2001a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (20005a), Péré, Augustin, Tomov, Peng, Turlings & Kenis (2010a), Péré, Augustin, Turlings & Kenis (2010a), Plóciennik, Pawlikiewicz & Jaworski (2011a), De Prins (2004a), De Prins, De Prins & De Coninck (2003a), W & J De Prins (2001a), Pschorn-Walcher (1994a), Reichholf (2004a), Sefrová (2001b, 2005a), Sefrová & Laštuvka (2001a), Sefrová & Skuhravy (2000a), Skuhravy (1999a), Stammer (2016a), Stigter ao (2000a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2010a), Valade, Kenis, Hernandez-Lopez ao (2009a), Werner, Irzykowska & Karolewski (2012a), Wołczańska & Mułenko (2002a).

11/05/2017