Chrysoesthia sexguttella (Thunberg, 1794)

Lepidoptera, Gelechiidae

Chenopodium album, Nieuwendam; lege mijnen

Chrysoesthia sexguttella mine

Chenopodium album, Nieuwendam; vacated mines

Halimione sp., België, prov. West-Vlaanderen, Knokke: in deze vlezige blderen ziet de mijn er heel afwijkend uit; © Chris Snyers

Chrysoesthia sexguttella: mine in Halimione sp.

Halimione sp., Belgium, prov. West Fanders, Knokke: in these fleshy leaves the appearance of the mine is quite different; © Chris Snyers

Chenopodium album, Nieuwendam. Bij de mijn rechts is nog iets te zien van de zigzaggende begingang. De larve aan de linkerzijde is gestorven voordat hij kans heeft gezien om een blaas te vormen; het lijkt erop of de gang die hij gemaakt heeft zo snel met callus is opgevuld dat hij is omgekomen door gebrek aan bewegjngsruimte.

Chenopodium album, Nieuwendam. The mine at left still shows something of the initial zigzag corridor. The larva at left has died before it was able to make a blotch; it looks like to corridor it made became so quickly filled with callus that it perished because of space to move.

mijn Ei aan de onderzijde van het blad. De mijn begint met een korte zigzaggende begingang, die binnen korte tijd wordt overlopen door een grote zeer transparante voldiepe blaas. Frass in een grote centrale zwarte klodder. Bij verse mijnen is vaag iets als vraatlijnen te zien, iets dat normaliter alleen optreedt bij vliegenmijnen. Ze verlaten de mijn voor de verpopping, door een vrij slordig gat in de mijn.

mine Oviposition at the underside of the leaf. The mine begins as a short zigzagging corridor, that very soon becomes overrun by a large, perfectly transparant blotch. Frass in a big black central lump. In fresh mines something like primary feeding lines is recognisable, normally seen only in Diptera mines. Pupation external, exit a rather untidy hole.

waardplanten: Amaranthaceae, oligofaag

hostplants: Amaranthaceae, oligophagous

Amaranthus blitum, caudatus; Atriplex calotheca, hortensis, littoralis, patula, prostrata, sagittata, sibirica, tatarica; Bassia scoparia; Chenopodium album, bonus-henricus, giganteum, glaucum, hybridum, murale, opulifolium, polyspermum, quinoa, urbicum, vulvaria; Spinacia.

fenologie Larven in juni en september-october (Bland ea, 2002a).

phenology Larvae in June and in September - October (Bland ao, 2002a).

BENELUX

BE waargenomwn (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach)

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009)

LUX recorded (Ellis: Kautenbach)

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe All Europe (Fauna Europaea, 2009).

pop Beschreven door Patočka (1997a), Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka (1997a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Microsetia sexguttella; Chrysopora naeviferella (Duponchel, 1843), C. stipella auct.

synonyms Microsetia sexguttella; Chrysopora naeviferella (Duponchel, 1843), C. stipella auct.

literatuur

references

Ahr (1966a), Beiger (1955a, 1970a, 1979a), Bland ao (2002a), Borkowski (1973a), Buhr (1935a,b, 1964a), Corley (2005a), Csóka (2003a), Drăghia (1967a, 1968a, 1970a, 1971a, 1972a, 1974a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Fazekas & Schreurs (2010a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1932g, 1957a), ten Holt & Kuchlein (2006a), Huber (1969a), Huertas Dionisio (2002a, 2007a), Kaitila (1996a), Klimesch (1950c, 1958a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Kvičala (1938a), Lhomme (1934a), Maček (1999a), Michalska (1970a, 1976a), Nowakowski (1954a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka (1997a), Patočka & Turčáni (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), De Prins & Steeman (2013a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Skala (1950a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Ureche (2010a), Utech (1962a), Zoerner (1969a, 1970a, 1975a).

07/02/2017