Coleophora acrisella Millière, 1872

Lepidoptera, Coleophoridae

uit Toll (1962a)

Coleophora acrisella case

from Toll (1962a)

zak Sterk gekromde samengestelde bladzak van 7-8 mm. De zak bestaat uit een aantal uitgemijnde deelblaadjes die dwarsgeplaatst achter elkaar zijn bevestigd. Elk blaadje staat ietwat scheef ten opzichte van zijn voorganger, zodat de zak een lichte spiraalvorm krijgt. Mondopening daardoor niet terminaal maar min of meer aan de zijkant. Larven aan de onderzijde van de bladeren. Vaak een aantal bijeen, waardoor de mijnen sterk opvallen.

case Strongly arched composite leaf case of 7-8 mm. The case consists of a number of mined leaflets placed transversely one after the other. Each leaflet is positioned a bit obliquely in relation to its predecessor, resulting in a somewhat helicoidal case. Mouth opening therefore not terminal, but more or less to the side. Larvae at the underside of the leaves. Often several together, making their mines quite conspicuous.

waardplanten: Fabaceae, monofaag (?)

hostplants: Fabaceae, monophagous (?)

Dorycnium hirsutum, pentaphyllum & subsp. germanicum.

Oorspronkelijk is de soort abusievelijk geassocieerd met Aster acris, vandaar ook de soortnaam. Aster acris is een synoniem van A. sedifolius (nu Galatella sedifolia), een in ZO Frankrijk heel gewone plant (Edwin Rennwald in litt.)

Door Chrétien (1926a), ietwat terloops, ook vermeld van Lotus hispidus (= L. parviflorus of subbiflorus).

Door Corley (2005a, Portugal) vermeld van Coronilla valentina subsp. glauca.

Originally the species was erroneously associated with Aster acris, which explains the species' name. Aster acris is a synonym of A. sedifolus, now Galatella sedifolia, a plant that is widely distributed in southeasten France (Erwin Rennwald in litt.)

Associated by Chrétien (1926a), somewhat offhand, with Lotus hispidus (= L. parviflorus or subbiflorus).

Reported from Coronilla valentina subsp. glauca by Corley (2005a, Portugal).

fenologie Voorjaar (Suire, 1961a). Een deel van de larven levert al imagines nog vóór de zomer, een ander deel levert imagines in het najaar, en een derde deel overwintert en levert daarna pas imagines (Hering, 1967a).

phenology Spring (Suire, 1961a). Part of the larvae develop into adults already before the summer; another group emerges as adults in autumn and a third cohort finally hibernates and produces adults after the winter (Hering, 1967a).

verspreiding binnen Europa Van Tsjechië tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Griekenland, en van Frankrijk tot Hongarijë (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe From Czechia to the Iberian Peninsula, Italy, and Greece, and from France to Hungary (Fauna Europaea, 2010).

larve Beschreven door Suire (1961a).

larva Described by Suire (1961a).

literatuur

references

Baldizzone (1976a, 1979a, 1987b, 1990b), Baldizzone & Luquet (1981a), Baldizzone & Nel (1993c), Baldizzone & van der Wolf (2000a), Chrétien (1900a, 1926a), Corley (2005a), Corley, Merckx, Cardoso, Dale,Marabuto, Maravalhas & Pires (2012a), Hering (1957a, 1967a), Kasy (1987a), Klimesch (1958c), Nel (1992b,c), Suire (1961a), Szőcs (1977a), Toll (1962a), Zerafa (2015a).

06/02/2017