Coleophora betulella Heinemann, 1877

Lepidoptera, Coleophoridae

Betula pubescens, Helenaveen, 't Zinkske

Coleophora betulella case

Betula pubescens, Helenaveen, 't Zinkske

Betula pendula, België, prov. Namen, Andenne; © Jean-Yves Baugnée

Coleophora betulella case

Betula pendula, Belgium, prov. Namur, Andenne; © Jean-Yves Baugnée

mijn Maakt als onvolgroeide larve vóór de overwintering vlekmijnen; na de overwintering worden vensters uit de bladeren gevreten. In dit laatste stadium leeft de larve in een, meestal matte en ruwe, zwarte pistoolzak van ca. 7 mm, die met een mondhoek van 30°-45° scheef op het blad staat.

mine Prior to hibernation the young larva makes fleck mines; in spring window feeding takes place. In its final stage the larva lives in a generally dull, rough pistol case about 7 mm in length, that with a mouth angle of 30°-45° is standing obliquely on the leaf.

waardplanten: Betulaceae, monofaag

hostplants: Betulaceae, monophagous

Betula pendula, pubescens.

fenologie Larven zijn volgroeid in eind mei - begin juni (Emmet e.a., 1996a).

phenology Larvae are full grown in eind May - early June (Emmet ao, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NEwaargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa, uitgezonderd het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Entire Europe, excluding the Balkan peninsula (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door Suire (1961a).

larva Described by Suire (1961a).

synoniemen Coleophora buettneri Rössler, 1881; C. ibipennella: Stainton, Sich ea

synonyms Coleophora buettneri Rössler, 1881; C. ibipennella: Stainton, Sich ao.

opmerkingen Het tepelvormige ei wordt afgezet aan de blad-onderzijde. De uitkomende larve boort zich door de bodem van het ei in het blad, en maakt een klein mijntje. Hij maakt spoedig een kleine gaatje in de onderepidermis; van hieruit zet hij een hoopje frasskorrels af, dat met spinsel bijeen wordt gehouden. Meer frass en spinsel wordt toegevoegd. Tenslotte kruipt de larve daarin binnen, snijdt de zaak los van het blad, en heeft aldus het begin van zak. Door toevoeging van zijde aan de mondrand wordt die geleidelijk vergroot (Sich, 1921a).

notes The nipple-shaped egg is deposited at the underside of the leaf. The merging larva bores through the floor of the egg into leaf, and starts making a small mine. Soon it makes a small hole in the lower epidermis. Through this it deposits a small heap of frass grains, kept together by silk. More frass and silk are added. Finally the larva enters this heap, cuts it loose from the leaf and thus has made the beginning of its case. The case is gradually enlarged by the addition of silk to the rim of the mouth (Sich, 1921a).

literatuur

references

Baldizzone (1979a, 1985d, 1989c), Baldizzone, van de Wolf & Landry (2006), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Drăghia (1968b), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Hering (1957a), Huisman ao (2001a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Patzak (1974a), De Prins (2010a), Razowski (1990a), Schütze (1931a), Sich (1921a), Sønderup (1949a), Suire (1961a), Toll (1952a, 1962a).

17/12/2012