Coleophora glitzella Hofmann, 1869

Lepidoptera, Coleophoridae

uit Toll (1962a)

Coleophora glitzella case

from Toll (1962a)

zak De larve begint met het maken van een gangetje van ongeveer een cm lang; daarna verbreedt de mijn zich tot een blaasje. De larve snijdt uit boven- en onderepidermis een langgerekt stukje epidermis en maakt daarvan zijn eerste zak. In die eerste zak (maar elders al in de mijn) maakt hij zijn eerste winter door. Na de overwintering maakt hij op dezelfde manier een nieuwe zak, en later, na een tweede overwintering, nog een derde. De zak van de volgroeide larve is een spatelvormige bladzak van 6-8 mm, opgebouwd uit twee langerekte stroken epidermis. De zak is recht; het achtereind is ietwat toegespitst en tweekleppig. De mondhoek is 90°.

De vlekmijnen die door glitzella gemaakt worden nemen vaak een half blad in beslag, en bevatten vaak een paar frasskorrels. Dat komt omdat de larven vaak, nadat ze de zak met spinsel op een blad hebben vastgezet, de zak verlaten en diep de mijn inkruipen.

case The larva begins by making a frass-filled corridor of about 1 cm length; then the corridor widens into a blotch. The larva then cuts an elongated piece of epidermis out out the upper and lower epidermis of this blotch and uses it to construct its first case. In first case (elsewhere already in the mine) it passes its first winter. After hibernation it makes a new case in the same way, and later, after another hibernation, a third one. The case of the full-grown larva is a spathulate leaf case of 6-8 mm, composed of two elongates pieces of epidermis. The case is straight; the rear end is somewhat pointed and bivalved. The mouth angle is 90°.

The fleck mines that are made by glitzella often occupy half a leaf, and may contain some frass grains. This is because the lava, after having secured its case with silk on the leaf, often leaves the case altogether and may immerse itself deeply in the mine .

waardplanten: Ericaceae, monofaag

hostplants: Ericaceae, monophagous

Vaccinium uliginosum, vitis-idaea.

fenologie Volgroeide larven omstreeks eind april van het tweede jaar (Emmet ea, 1996a).

phenology Full grown larvae around end of April of the second year (Emmet ao, 1996a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Fennoscandia en Noord-Rusland tot Italië, en van Engeland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Fennoscandia and northern Russia to Italy, and from Britain to Romania (Fauna Europaea, 2009).

literatuur

references

Baldizzone & van der Wolf (2000a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Gielis, Huisman, Kuchlein, van Nieukerken, van der Wolf & Wolschrijn (1985a), Hering (1957a), Huemer (1986b, 2012a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Landry ao (2013a), Marek & Krampl (1990a), Nel (1992c), Patzak (1974a), Razowski (1990a), Sønderup (1949a), Toll (1962a).

27/10/2014