Coleophora limosipennella (Duponchel, 1843)

Lepidoptera, Coleophoridae

Ulmus, België, Antwerpen © Guido De Prins

Coleophora limosipennella: case on Ulmus

Ulmus, Belgium, Antwerp © Guido De Prins

another specimen

Coleophora limosipennella: case on Ulmus

another specimen

Ulmus glabra, België, prov. Antwerpen, Meerhout; © Carina Van Steenwinkel

Coleophora limosipennella: case on Ulmus glabra

Ulmus glabra, Belgium, prov. Antwerp, Meerhout; © Carina Van Steenwinkel

Ulmus minor, Amsterdam, Vliegenbos

Coleophora limosipennella: case

Ulmus minor, Amsterdam, Vliegenbos

Ulmus minor, Duin en Kruidberg: uitsnede voor de jeugdzakken

Coleophora limosipennella: youth mines

Ulmus minor, Duin en Kruidberg: excision for the initial cases

detail

Coleophora limosipennella: youth mines

detail

jeugdmijntje, zeer jonge zak

Coleophora limosipennella: youth mine Coleophora limosipennella: young case

juvenile mine, very young case

mijn Ovipositie meestal in een nerfoksel. Vandaar wordt een kort, naar verhouding breed, gangetje gemaakt dat zich snel verwijdt tot een elliptisch blaasje. Veel van de frass wordt naar buiten gewertk door het gaatje waardoor de larve zich toegang tot het blad heeft verschaft (bij C. badiipennella, op dezelfde waardplant, blijft de frass in de mijn (Emmet, Langmaid, Bland ea, 1996a]). Uit het blaasje wordt een uitsnede gemaakt, die dienst doet als jeugdzak. Volgroeide larve in een bruine spatelvormige bladzak van 9-11.5 mm. Achterzijde tweekleppig. Mondhoek 0°-20°; vlak achter de mond heeft de zak een duidelijke knik.

mine Oviposition generally in a vein axil. From there a short, relatively wide corridor is made that quickly widens into an elliptic blotch. Much of the frass is ejected through the hole that the larva has made to bore itself into the leaf (in C. badiipennella, on the same hostplant, the frass remains within the mine (Emmet, Langmaid, Bland ao, 1996a]). This blotch is excised to make the juvenile case. The full grown larva lives in a brown spathulate leaf case of 9-11.5 mm; its rear end is bivalved. Mouth angle 0°-20°; just behind the mouth the case shows a conspicuous bend.

waardplanten: Ulmaceae, monofaag

hostplants: Ulmaceae, monophagous

Ulmus glabra, minor.

Door Buhr (1935a) en Hartig (1939a) vermeld van Alnus incana en glutinosa; xenophagie?

Recorded by Buhr (1935a) and Hartig (1939a) from Alnus incana and glutinosa; xenophagy?

fenologie De larven zijn volgroeid in juni-juli (Emmet ea, 1996a).

phenology The larvae are fully developed in June-July (Emmet ao, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2008).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; microlepidoptera.nl, 2008).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2008).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; microlepidoptera.nl, 2008).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Italië en de Balkan, en van Engeland tot de Baltische Staten en Roemenië (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Scandinavia and Finland to the Pyrenees, Italy and the Balkan Peninsula, and from the UK to the Baltic States and Romania (Fauna Europaea, 2008).

literatuur

references

Baldizzone (1979a), Baldizzone & Nel (1992a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1935a, 1937a), Emmet (1980b), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Hartig (1939a), Hering (1930e, 1932g, 1957a), Kasy (1983a), Klimesch (1942a, 1950c), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Lhomme (1934d), Maček (1999a), Michna (1975a), Nel (1992b,c), Nowakowski (1954a), Patzak (1974a,b), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), De Prins & Steeman (2011a), Razowski (1999a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Skala (1951a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a), Suire (1961a), Szőcs (1977a, 1981a), Toll (1952a, 1962a), Tomov & Krusteva (2007a), Zoerner (1969a).

07/04/2017