Coleophora moehringiae Burmann, 1967

Lepidoptera, Coleophoridae

case Vrij kleine, bruine tot okergele, driekleppige, buisvormige zijden zak. Achter de mond een duidelijke knik; mondopening met een zwakke flens; mondhoek ca 30°. Buikzijde met een min of meer hoge scherpe kiel. Zijden met een groot aantal zwakke diagonale naar achteren lopende ribbels. Rugzijde over de volle lengte met twee duidelijke, naar achteren divergerende richels.

zak Rather small, brown to ochre, trivalved, tubular silken case. Behind the mouth a clear bend; mouth opening with a weak flange; mouth angle c. 30°. Ventrally a more or less high sharp keel. Laterally a large number of weak diagonal ridges running rearwards. Dorsally two clear, rearwards diverging, ribs over the full length of the case.

waardplanten: Caryophyllaceae, nauw monofaag

hostplants: Caryophyllaceae, narrowly monophagous

Moehringia glaucovirens.

fenologie Midden mei en begin juni werden zowel vogroeide, als zeer jonge larven gevonden: de soort doet twee jaar over zijn ontwikkeling.

phenology Mid-May and early June both full grown and young larvar were seen; the species needs two years for its development.

verspreiding binnen Europa Italiaanse Alpen, 1700-1800 m.

distribution within Europe Italian Alps, 1700-1800 m.

literatuur

references

Burmann (1967a).

11/08/2010