Cosmopterix schmidiella Frey, 1856

Lepidoptera, Cosmopterigidae

mijn Grote blaasmijn, die een heel blaadje kan beslaan. De larve rust tijdens vreetpauzes bovenop de hoofdnerf, inn een van spinsel vervaardige rustplaats, en is dan lastig zichtbaar. Verpopping buiten de mijn.

mine Large blotch, that may occupy an entire leaflet. During feeding pauses the larve rests in a silken resting place above the midrib, and is well hidden then. Pupation outside the mine.

waardplanten: Fabaceae, oligofaag

hostplants: Fabaceae, oligophagous

Lathyrus linifolius, niger; Vicia sepium, pisiformis.

Voorkeur voor Vicia (Hering, 1957a).

Preference for Vicia (Hering, 1957a).

fenologie Larven in augustus-september (Koster, 2002c).

phenology Larvae in August - September (Koster, 2002c).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Engeland tot Roemenië, en van Centraal Rusland tot het Iberisch Schiereiland (Fauna Europaea, 2009). In Engeland uitgestorven (Koster, 2002c).

distribution within Europe From Britain to Romania, and from Central Russia to the Iberian Peninsula (Fauna Europaea, 2009). Extinct in Britain (Koster, 2002c).

larve Kop bruin, monddelen donkerder. Lichaam (ook poten) bleek oranjegeel met dorsaal en lateraal purperen stippellijnen. Prothoracale plaat zwart, gedeeld (Koster, 2002c).

larva Head brown, mouthparts darker. Body (and thoracic feet) pale orange-yellow, purple dotted length lines dorsally and laterally. Prothoracic plate black, divided (Koster, 2002c).

literatuur

references

Hering (1957a), Huber (1969a), Klimesch & Skala (1936a), Koster (2002c), Koster & Sinev (2003a), Skala (1949a), Szőcs (1977a).

07/04/2017