Elachista irenae Buszko, 1989

Lepidoptera, Elachistidae

mijn De mijn begint meestal ongeveer een cm onder de top van het blad, en daalt als een smalle wittige voldiepe gang 3-4 cm af. Niet zelden zijn er in de mijn stroken niet opgegeten parenchym zichtbaar. Frass in een af en toe onderbroken en diffuse donkere lijn over het grootste deel van de mijn. De larve kan van blad wisselen. Verpopping buiten de mijn.

mine The mine usually starts about a cm below the tip of the leaf, and descends as a slender, whitish, full depth gallery for a length of 3-4 cm. Not infrequently stripes of uneaten parenchyma can be found. Frass in a sometimes interrupted and dispersed central line for most of the length of the mine. The larva can change leaves. Pupation external.

waardplanten: Poaceae, nauw monofaag

hostplants: Poaceae, narrowly monophagous

Festuca versicolor.

fenologie Waarschijnlijk overwintert de soort als jonge larve; volgroeide larven zijn gevonden vanaf eind mei tot de tweede helft van juni.

phenology The species probably hibernates as a young larva; mature larvae have been found from late May untill the second half of June.

verspreiding binnen Europa Polen en Slowakije, Tatra gebergte.

distribution within Europe Poland and Slovakia, Tatra mountains.

larve Zie Baran & Buszko (2010a).

larva See Baran & Buszko (2010a).

pop Zie Baran & Buszko (2010a).

pupa See Baran & Buszko (2010a).

literatuur

references

Baran & Buszko (2010a), Buszko (1989b), Buszko & Baraniak (1989b), Michalska Myssura & Walczak (2010a).

22/01/2013