Elachista serricornis Stainton, 1854

Lepidoptera, Elachistidae

mijn De larve maakt in het najaar een lange bruine gangmijn, en overwintert vervolgens daarin. Na de overwintering wordt in een ander blad een nieuwe mijn gevormd. Deze begint nabij de bladbasis, breidt zich naar boven uit, en bestaat tenslotte uit een langgerekte onregelmatige gelige blaas van 3-5 cm lang. Verpopping buiten de mijn; de pop zit zonder cocon aan het blad bevestigd.

Martini (1912a) noemt als kenmerkend voor deze soort dat de mijn uiterst nauwgezet aansluitend bij de lengtenervatuur in het blad.

mine In autumn the larva makes a long, brown corridor, and hibernates therein. In spring a new mine is made in another leaf. This one starts near the base of the blade, widens upwards, and finally forms an elongate yellowish irregular blotch of 3-5 cm in length. Pupation externa[; the pupa is attached to the mine without a cocoon.

According to Martini (1912a) a characteristic of this species is the extreme precision with which the mine joins up with the length venation of the leaf.

waardplanten: Cyperaceae, oligofaag (?)

hostplants: Cyperaceae, oligophagous (?)

Carex elata, ericetorum, ferruginea, sylvatica, vesicaria; Eriophorum angustifolium, latifolium, vaginatum; Scirpus sylvaticus.

Volgens de meeste auteurs is Carex sylvatica de belangrijkste waardplant. Maar volgens Buhl (1991a) en Heckford (1999a) leeft de soort in Denemarken en Engeland niet op Carex, maar uitsluitend op Eriophorum vaginatum.

Most authors agree that Carex sylvatica is the main hostplant. But according to Buhl (1991a) and Heckford (1999a) in Denmark and Britain the species does not at all live in Carex, but exclusively on Eriophorum vaginatum.

fenologie Larven zijn te vinden van de herfst tot april in het volgende jaar (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

phenology Larvae from autumn till April of the following year (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2010).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Van Fennoscandia en Noord-Rusland tot Noord-Italië, en van Ierland tot Polen en Hongarijë (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe From Fennoscandia and North Russia to northern Italy, and from Ireland to Poland and Hungary (Fauna Europaea, 2010).

larve Lichaam grijsgroen met een wittige rugstreep. Kop en prothoracale plaat lichtbruin. Meso en metathorax elk met een laterale vlek, verbonden door een wittige lijn.

larva Body greyish green with a whitish dorsal line. Head and prothoracic plate light brown. Meso- and metanotum each with a lateral mark, connected by a whitish streak.

synoniemen Biselachista serricornis.

synonyms Biselachista serricornis.

literatuur

references

Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Biesenbaum (1999a), Bland (1996a), Buhl (1991a), Buhr (1935a), Buszko (1990a), Heckford (1999a), Hering (1957a), Kuchlein & Donner (1993a), Martini (1912a), Parenti & Pizzolato (2015a), Parenti & Varalda (1994), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a).

12/01/2017