Epermenia chaerophyllella (Goeze, 1783)

Lepidoptera, Epermeniidae

Heracleum sphondylium, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

Epermenia chaerophyllella on Heracleum sphondylium

Heracleum sphondylium, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

Heracleum sphondylium, Nieuwendam

Epermenia chaerophyllella mine

Heracleum sphondylium, Nieuwendam

Anthriscus sylvestris, Nieuwendam

Epermenia chaerophyllella mine

Anthriscus sylvestris, Nieuwendam

Ook de allereerste mijnen hebben twee gaten (altijd aan de bladonderzijde): door de ene is de larve binnengedrongen, en daar ligt ook de frass -grotendeels buiten de mijn-; door de ander heeft hij de mijn verlaten.

Even the very first mines have two holes (invariably in the lower epidermis): one of them was made when the larva penetrated the leaf, and there also most frass is to be found -most of it outside the mine-; the second hole was made when the larva abandoned the mine.

mijn Kort, klein, onregelmatig verlopend en soms verbreed gangmijntje, meestal een aantal in een blad. Meeste mijnen van hoofdnerf en dikste zijnerven. Elke larve maakt een aantal mijnen. Vaak steekt de larve voor een deel buiten de mijn, zodat de meeste frass buiten de mijn terechtkomt. Bij het verhuizen, aan de bladonderzijde, maken de larven spinseldraden, waarin de frass voor een deel blijft hangen. Oudere larven leven vrij en maken venstervraat, vaak in een groepje in een ijl spinsel.

mine Short, small, ireregular, sometimes widened corridor. Mostly a number in a leaf, concentrated in the axils of the midrib and the primary side veins. Each larva makes a number of mines. Often the larva protrudes with its rear end out of the mine, causing most frass to be ejected. While moving, at the leaf underside, silken threads are produced, in wich grains of frass may be trapped. Older larvae live free and cause window feeding, often in a group onder a light spinning.

waardplanten: Apiaceae, breed oligofaag

hostplants: Apiaceae, broadly oligophagous

Aegopodium podagraria; Angelica archangelica subsp. litoralis, sylvestris; Anthriscus caucalis, cerefolium, sylvestris; Apium graveolens; Berula erecta; Carum carvi; Chaerophyllum hirsutum, temulum; Cicuta virosa; Conium maculatum; Daucus carota; Heracleum mantegazzianum, platytaenium, sphondylium; Levisticum officinale; Oenanthe; Pastinaca sativa; Peucedanum; Pimpinella saxifraga; Seseli libanotis; Silaum; Sison amomum; Sium latifolium; Torilis.

fenologie Larven in mei-juni en augustus-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May - June and August - September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos,1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Ellis, Hobscheid).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos,1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX recorded (Ellis, Hobscheid).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Entire Europe (Fauna Europaea, 2009).

literatuur

references

Buhr (1935a,b, 1964a), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Gaedike (1972a), Gielis, Huisman, Kuchlein, van Nieukerken, van der Wolf & Wolschrijn (1985a), Godfray & Sterling (1996a), Hansen, Hattendorf, Wittenberg, Reznik, Nielsen, Ravn & Nentwig (2006a), Hering (1923a, 1925a, 1957a), Huber (1969a), Koçak, Özdemi̇r & Zlobin (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Maček (1999a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Skala (1949a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Surányi (1942a), Szőcs (1977a), Wörz (1957a).

17/02/2017