Gracillaria syringella (Fabricius, 1794)

Lepidoptera, Gracillariidae

Ligustrum ovalifolium: (oude) mijnen en bladrollen, België, Luik © Jean-Yves Baugnée

Gracillaria syringella, mines & cones

Ligustrum ovalifolium: (old) mines and leaf rolls, Belgium, Liège © Jean-Yves Baugnée

Ligustrum ovalifolium, Nieuwendam

Gracillaria syringella mine

Ligustrum ovalifolium, Nieuwendam

Fraxinus excelsior, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkmans

Gracillaria syringella: mines on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkmans

Fraxinus excelsior, Arnhem

Gracillaria syringella mine

Fraxinus excelsior, Arnhem

Syringa vulgaris, Castricum: het onderzijdig begin van de mijn

Gracillaria syringella mine

Syringa vulgaris, Castricum: the lower-surface start of the mine

zelfde mijn sterker vergroot, om de vliezige restanten van de eischaaltjes te tonen

Gracillaria syringella mine

same mine, at stronger magnification, to show the flimsy remnant of the egg shells

Syringa vulgaris, België, prov. Namen, Couvin © Stéphane Claerebout

Gracillaria syringella: mine on Syringa vulgaris

Syringa vulgaris, België, prov. Namen, Couvin © Stéphane Claerebout

eischaaltjes en twee begingangen, die ditmaal gescheiden van elkaar lopen.

Gracillaria syringella: initial galleries

egg shells and two initial galleries, that this time run separately.

mijn De mijn begint bij een aantal eischaaltjes die in een rij langs de hoofdnerf liggen. De larven die eruit komen vormen een relatief brede, onopvallende, onderzijdige gangmijn. Tenslotte ontstaat een grote, grijsbruine of groenbuine, zeer ondoorzichtige bovenzijdige blaasmijn met tot tien of meer larven. De mijn doet het blad wel bobbelig worden, maar het blad vouwt zich niet om de mijn, zoals bij Caloptilia cuculipennella. Na verloop van tijd verlaten de larven de mijn en leven, nog steeds in een groep, in een naar beneden omgerold blad.

mine The mine begins at a row of eggs along hre midrib. The emerging larve form relatively broad, inconspicuous, lower-surface corridor. Subsequently a large, grey brown or greenish brown, very opaque upper-suerface blotch is made, occupied by ten or more larvae. The mine makes the leaf somewhat bumpy, but the leaf does not fold around the mine, like in Caloptilia cuculipennella. After some time the larve leave the mine and continue feeding, still comunally, in a downwards rolled leaf.

waardplanten: Oleaceae, oligofaag

hostplants: Oleaceae, oligophagous

Chionanthus virginicus; Forestiera acuminta; Forsythia x intermedia, suspensa, viridissima; Fraxinus americana, angustifolia subsp. oxycarpa, anomala, excelsior, latifolia, nigra, oregona, ornus, quadrangulata, sogdiana; Jasminum nudiflorum; Ligustrum ibota, ovalifolium, vulgare; Phillyrea latifolia; Syringa emodi, josikaea, komarowii, x persica, reticulata, tomentella subsp. sweginzowii, vulgaris.

Bij Forsythia blijven de mijnen gangachtig, en als de mijnen 1à 2 cm lang zijn gaan de larven dood (Buhr, 1935b, 1964a).

Minder vaak ook waargenomen op Deutzia, Diervilla lonicera, Euonymus europaeus, verrucosus, Weigela 'Rosea'. Zoerner (1975a) noemt een merkwaardige waarneming op Magnolia; Kollár (2007a), Robbins (1991a), Szőcs (1977a) en Kollár & Hrubík (2009a) voegen Sambucus nigra, Symphoricarpos en Viburnum toe. In de meeste gevallen gaat het om xenofagie, waarbij de larven niet tot volledige ontwikkeling komen; alleen het grote aantal Caprifoliaceae doet vermoeden hiermee een echte waardplantrelatie kan bestaan.

In Forsythia the mines remain corridor-like, and the larvae die after the mines have grown to 1-2 cm (Buhr, 1935b, 1964a).

Less often observed on Deutzia, Diervilla lonicera, Euonymus europaeus, verrucosus, Weigela 'Rosea'. Zoerner (1975a) mentions a surprising observation on Magnolia; Kollár (2007a), Robbins (1991a), Szőcs (1977a), and Kollár & Hrubík (2009a) add Sambucus nigra, Symphoricarpos, and Viburnum. In most cases this concerns xenophagy, and the larvae will not complete their development; only the large number of Caprifoliacee suggests that here a real hostplant relation may exist.

fenologie Larven in juni en augustus-september (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a).

phenology Larvae in June and August-September (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenmen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009); zeer gewoon.

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009); very common.

LUX recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Heel Europa, uitgezonderd het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Entire Europe, except the Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2009).

pop Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a). De pop bevindt zich meestal in de bladrol, in een plooi die afgedekt is door een perkament-achtig vliesje (Tymo Muus, mond. meded.).

pupa Described by Patočka & Turčáni (2005a). The pupa mostly in the leaf rol, in a fold, and protected by a parchment-like sheet (Tymo Muus, pers. comm.)

synoniemen Caloptilia, Xanthospilapteryx syringella; Gracillaria anastomosis Haworth, 1928.

synonyms Caloptilia, Xanthospilapteryx syringella; Gracillaria anastomosis Haworth, 1928.

opmerkingen Kan aanzienlijks schade doen in tuinen en in de sierteelt, vooral op seringen.

notes Can cause considerable damage in gardens and ornamental crops, especially in Lilacs.

literatuur

references

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Beiger (1979a), Biesenbaum (2010a), SCS Brown (1947a), Buhr (1935a,b, 1937a, 1964a), Buszko (1992b), Csóka (2003a), Deschka & Wimmer (2000a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1971a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Fulmek (1910b), Haase (1942a), Hering (1926b, 1930b, 1931-32f, 1932b, 1934c, 1957a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Jaworski (2009a), Kasy (1965a), Kiziroglu ( 1976a), Klimesch (1950c), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kozlov & Kullberg (2010a), Kvičala (1938a), Leutsch (2011a), Lhomme (1934c), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Nowakowski (1954a), Opheim (1977a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Skala (1941a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1975a).

07/04/2017