Jordanita globulariae (Hübner, 1793)

Lepidoptera, Zygaenidae

mijn De larve begint met het maken van een zeer klein voldiep gangmijntje. Als de larve groter wordt leeft hij vrij. Hij maakt dan herhaalde malen een snede in de onderepidermis, en vreet dan het bladweefsel weg, waarbij hij tot halverwege zijn lichaam in het blad verdwijnt. Het resultaat is telkens een grote vlekmijn, zonder frass, met een grote, spleetvormige, zijdelingse opening. De larve mineert tot kort voor de verpopping, die buiten de mijn plaats vindt (Ebert & Lussi, 1994a).

mine The larve begins by making a tiny full depth corridor. When the larve becomes bigger it starts living free. A number of times it makes a transverse slit in the lower epidermis, then eats away the leaf tissue, penetrating into the mine with the frontal part of its body. The result is a number of fleck mines, without frass, with the opening in the form of a large, lateral slit. The larva mines till just before the pupation, that takes place externally (Ebert & Lussi, 1994a).

waardplanten: Polyfaag op kruiden

hostplants: Polyphagous on herbs

Centaurea diffusa, jacea, nigra, rhaetica supsp. tridentina, scabiosa & subsp. adpressa, stoebe; Cirsium acaulon, laniflorum, pannonicum, tuberosum.

Naar de ervaring van Ebert & Lussi (1994a) leeft de soort uitsluitend op Centaurea, maar zie Guenin (2011a). Op Plantago zijn mijnen gevonden van Jordanita, maar het was niet zeker om welke soort het ging (Hering, 1957a).

Het voorkomen op Globularia wordt door Guenin (2011a) sterk in twijfel getrokken.

In the experience of Ebert & Lussi (1994a) the species is exclusively living on Centaurea, but see Guenin (2011a). Mines belonging to a Jordanita have been found on Plantago, but the miner could not be identitified to the species level (Hering, 1957a).

The occurrence on Globularia is strongly doubted by Guenin (2011a).

fenologie Larven van juli tot in mei (Hering, 1957a).

phenology Larvae from July till May (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa, uitgezonderd Ierland, Fennoscandia en de aangrenzende noordelijke gebieden (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe All Europe, except Ireland, Fennoscandia, and the adjacent northern regions (Fauna Europaea, 2009).

larve Donker vleeskleurig met twee geelwitte lengtelijnen; kop zwart, prothoracale plaat met een donkere tekening.

larva Dull flesh-coloured with two yellow white dorsal lines; head black, prothoracic plate with dark marking.

pop Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described by Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Adscita, Ino, Procris globulariae.

synonyms Adscita, Ino, Procris globulariae.

literatuur

references

Ebert & Lussi (1994a), Fernández-Rubio (1995a), Guenin (2011a), Hering (1957a, 1962a, 1964a), Lhomme (1934b), Maček (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Skala (1948a), Szőcs (1977a).

07/04/20177