Mompha raschkiella (Zeller, 1839)

Lepidoptera, Momphidae

Chmaerion angustifolium, Bergen NH, Bergerbosch: jonge mijn

Mompha raschkiella mine

Chmaerion angustifolium, Bergen NH, Bergerbosch: young mine

oudere mijn

Mompha raschkiella mine

older mine

Ede, Hindekamp: larve in de mijn

Mompha raschkiella mine

Ede, Hindekamp: larva in the mine

Het Twiske: begin van een secundaire mijn

Het Twiske: start of a secondary mine

mijn Het ovale, iriserende ei wordt aan de bladbovenzijde afgezet, meestal vlakbij de hoofdnerf. Vandaar begint een aanvankelijk nauwelijks breder wordende gang, de eerste cm niet altijd voldiep, die vaak eerst een paar lussen rond het ei maakt, en/of een stuk langs de hoofdnerf loopt. Als de gang gaat kronkelen kleuren afgesnoerde delen van het blad vaak rood. Frass fijnkorrelig grijs, verstrooid, niet vastgeplakt aan dak of bodem van de mijn. De larve maakt later een voldiepe blaasmijn; meestal sluit die op de gang aan, maar de larve kan een mijn verlaten en elders opnieuw beginnen, en dat kan ook al in dit stadium gebeuren. Zo'n nieuwe mijn begint bij een gaatje, waar de larve zich heeft ingeboord en eindigt in een slordige uitgangsopening. De larve ligt ruggelings in de mijn. Verpopping buiten de mijn.

mine The oval, iridescent egg is deposited at the upperside of the leaf, mostly close to the midrib. Here starts a gallery, at first narrow and hardly widening, the first cm not always full depth, often making a few loops around the egg and/or running along the midrib for some distance. Parts of the leaf cut off by a corridor loop often turn red. Frass in small, grey grains, dispersed, not glued to floor or ceiling of the mine. Later the larva makes a full depth blotch; mostly in continuation to the corridor, but the larva can also leave the mine and restart elsewhere, which may happen already at this stage. A new mine begins with a hole where tha larva has gained entrance, end ends in an untidy exit. The larva lies venter-upwards in the mine. Pupation external.

waardplanten: Onagraceae, monofaag

hostplants: Onagraceae, monophagous

Chamerion angustifolium.

Baldizzone (2004a, 2008a) noemt daarnaast Epilobium angustifolium, hirsutum; dit lijkt een vergissing.

Baldizzone (2004a, 2008a) additionally mentions Epilobium angustifolium, hirsutum; this seems a mistake.

fenologie Larven in eind mei-eind juli en eind-augustus-september (Hering, 1957a; Koster, 2002b).

phenology Larvae in end-May - end-July and end-Auguast - September (Hering, 1957a; Koster, 2002b).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2010).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Europa, met uitzondering van het Iberisch Schiereiland, de Middellandse Zee-eilanden en delen van het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe Europe, except the Iberian Peninsula, the Mediterranean Islands and parts of the Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2010).

pop Zie Patočka & Turčáni (2005a).

pupa See Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Lophoptilus, Tebenna, raschkiella.

synonyms Lophoptilus, Tebenna, raschkiella.

literatuur

references

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a, 2008a), Beiger (1955a), Buhr (1935b, 1964a), Haase (1942a), Hering (1957a), Huber (1969a), Klimesch (1950c), Koster (2002b), Koster & Sinev (2003a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Maček (1999a), Michalska (1970a, 1972a), Nowakowski (1954a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Seidel (1957a), Skala (1949a, 1951a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Szőcs (1977a), Zoerner (1969a).

12/04/2012