Parornix polygrammella (Wocke, 1862)

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Kleine onderzijdige vouwmijn. Nadat de larve de mijn verlaten heeft leeft hij in een blad dat over de nerf naar onderen is dubelgevouwen, en vreet dat tot de epidermis leeg. (Bengtsson & Johansson, 2011a, schrijven dat de larve in het laatste stadium het blad tot een buis oprolt).

mine Small, lower-surface, tentiform mine. After the larva has left the mine it folds a leaf downwards over the midrib and consumes it up to the epidermis. (Bengtsson & Johansson, 2011a, write that the final instar larva rolls the leaf into a tube.)

waardplanten: Betulaceae, monofaag

hostplants: Betulaceae, monophagous

Betula nana.

fenologie Bezette mijnen begin augustus (Wocke, 1862a).

phenology Occupied mines in early-August (Wocke, 1862a).

verspreiding binnen Europa Fennoscandia, Estland, noordelijjk Rusland én Frankrijk (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Fennoscandia, Estonia, northern Russia _and_ France (Fauna Europaea, 2009).

larve Lichaam vuil grijsgroen; kop donkerbruin; prothoracale plaat vuil lichtgroen met vier bruine lengtestreepjes; anale plaat iets donkerder dan het lichaam; borstpoten groen-bruining (Wocke, 1862a).

larva Body dirty grey-green; head dark brown; prothoracic plate dirty light green with four small brown lenght lines; anal plate slightly darker than the body; thoracic feet green-brownish (Wocke, 1862a).

literatuur

references

Bengtsson & Johansson (2011a), Hering (1957a), Viramo (1962a), Wocke (1962a).

09/11/2011