Perittia weberella Whitebread, 1984

Lepidoptera, Elachistidae

mijn Ei ovaal, met 7 lengteribbels, aan de bladonderzijde, ver van de bladrand, soms tegen de hoofdnerf. Mijn een gang, plotseling overgaand in, en vaak overlopen door, een blaas. Frass vult min of meer de begingang; in de blaas ligt het langs de randen. Tot drie mijnen in een blad. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in onder-epidermis.

mine Egg oval, with 7 length ribs, at the leaf underside, well removed from the margin, sometimes against the midrib. Mine a corridor, abruptly widening into, and often overrun by, a blotch. Frass more or less fills the corridor; in the blotch it is distributed along the sides. Up to three mines in a leaf. Pupation outside the mine; exit slit in lower epidermis.

waardplanten: Caprifoliaceae, monofaag

hostplants: Caprifoliaceae, monophagous

Lonicera xylosteum.

fenologie Vermoedelijk twee generaties; larven die in juni en juli werden verzameld gaven imagines in juli en augustus.

phenology Probabyl bivoltine; larvae, collected in June and July produced adults in July and August.

verspreiding binnen Europa Ukraine, Zwitserland.

distribution within Europe Ukraine, Switzerland.

larve Wittig, met rode tekening op de thorax.

larva Whitish, with read markings on thorax.

pop Roodbruin.

pupa Reddish brown.

literatuur

references

Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a) Ukraine, Whitebread (1984a).

13/01/2017