Phyllocnistis unipunctella (Stephens, 1834)

Lepidoptera, Gracillariidae

Populus x candensis, Nieuwendam

Phyllocnistis unipunctella mine

Populus x candensis, Nieuwendam

Populus nigra cv. 'Italica, België, prov. Luik, Sclessin: de coccon, die altijd aan de bladrand ligt; © Jean-Yves Baugnée

Phyllocnistis unipunctella cocoon

Populus nigra cv. 'Italica, Belgium, prov. Liège, Sclessin: coccoon, always at the leaf margin; © Jean-Yves Baugnée

Populus nigra cv. 'Italica, België, Luik: de larven zitten in de mijn niet zelden in de volle zon, met geen andere bescherming dan de cuticula van het blad; © Jean-Yves Baugnée

Phyllocnistis unipunctella larva in the mine

Populus nigra cv. 'Italica, Belgium, Liège: often the larvae are exposed to the glaring sun, with no other protection the the plant's cuticle; © Jean-Yves Baugnée

mijn Zeer lange, brede, epidermale gangmijn die zich in dichte lussen over de bladbovenzijde kronkelt zonder zichzelf te oversnijden. Frass in een continue middenlijn, maar uiterst vaag. De mijn eindigt bij de bladrand, waar een kleine verwijding wordt gemaakt, en waaroverheen zich de bladrand een stukje omvouwt, door spinsel waarmee de wand wordt bekleed en dat al opdrogend krimpt en de mijn samentrekt. Hierin heeft de verpopping plaats.

De mijn doet sterk denken aan het verdroogde slijmspoor van een slak, wat hem de nederlandse naam slakkenspoormijn heedft bezorgd.

mine Very long, broad, epidermal corridor that winds in dense loops over the upperside of the leaf without crossing itself. Frass in a continuous, extremely vague central line. The mine ends at the leaf margin, where the corridor is slightly widened, and in which some silk is deposited. When this dries the the leaf margin somewhat folds over this pupal chamber, since it is here that pupation takes place.

The mine has a strong resemblance to the trail of dried mucus left by a small snail, which has given the mine its Dutch name of snail-trail mine.

waardplanten: Salicaceae, monofaag

hostplants: Salicaceae, monophagous

Populus balsmifera, x canadensis, deltoides, euphratica, gileadensis, nigra & cv. 'Italica', simonii, suaveolens, trichocarpa.

Vermeldingen van P. alba berusten vermoedelijk op verwarring met Phyllocnistis xenia; vermeldingen van P. tremula hebben misschien betreking op Ph. labyrinthella.

Records of P. alba probably are due to confusion with Phyllocnistis xenia; records P. tremula hebben may in fact refer to Ph. labyrinthella.

fenologie Voorheen, tot misschien de eeuw-wisseling, waren er twee generaties, met larven in juni-juli en augustus-september (Emmet,1985b). Tegenwoordig zijn er tenminste drie, de eerste al in april; zie opmerking hieronder.

phenology Untill perhaps the year 2000 there were two generations, with larvae in June - July and August - September (Emmet,1985b). Currently, there are at least three generations, the first one already in April; see note below.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Bond, 2001a; Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe All Europe (Bond, 2001a; Fauna Europaea, 2009).

synoniemen Phyllocnistis suffusella (Zeller, 1847).

synonyms Phyllocnistis suffusella (Zeller, 1847).

opmerkingen: uit recent onderzoek is gebleken dat er twee typen larven zijn. Die van het eerste type mineren al in april, overwegend aan de onderzijde van de bladeren; deze larven hebben in het derde stadium geen donkere vlek op het pronotum. De larven van de daarop volgende twee generaties mineren op de bovenzijde van het blad; bij deze larven is de prothoracale plaat wel donker gepigmenteerd (Jordan, Langmaid & Doorenweerd, 2016a).

notes: recent studies have demonstrated the existence of two types of larvae. Those of the first generation mine already in April, predominantly at the underside of the leaves; these larvae have in their third instar an unpigmented prothoracal plate. The larvae of the subsequent second and third generation mine the upperside of the leaves; in their third instar these larvae have the prothoracal plate darkly pigmented (Jordan, Langmaid & Doorenweerd, 2016a).

literatuur

references

Abras, Fassotte, Chandelier & Cavelier (2008a), Amsel & Hering (1931a), Arru (1996a), Bengtsson & Johansson (2011a), Bond (2001a), Braggion (2013a), Buhr (1935b, 1936a, 1964a), Buszko (1981a, 1992b), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Csóka (2003a), Delplanque (1998a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1968a, 1971a, 1972a, 1974a), Emmet (1985b), van Frankenhuyzen & Freriks (1969a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Grandi (1931a, 1933a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1923a, 1930b, 1957a), Huber (1969a), Huemer (1986b), Jaworski (2009a), Jordan, Langmaid & Doorenweerd (2016a), Kasy (1965a), Klimesch (1950c, 1957a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Kvičala (1938a), A & Z Laštůvka (2011a), Lhomme (1934d), Lüders (1990a), Maček (1999a), Martynova (1955a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka (2001a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Skala (1951a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

07/04/2017