Phyllonorycter abrasella (Duponchel, 1843)

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Vrij kleine, onderzijdige vouwijn, gewoonlijk in het centrum van het blad. Onderepidermis met fijne plooitjes; bovenzijde van de mijn groen-gemarmerd. Frass in een klomp. Pop in een ovale, perkamentachtige cocon die los in de mijn ligt, en vrij is van frass.

mine Rather small, lower-surface tentiform mine, generally in the centre of the leaf. Lower epidermis with fine folds; upperside mottled green. Frass in a clump. Pupa in an oval, parchment-like cocoon that is free of frass, and lies loose in the mine.

waardplanten: Fagaceae, nauw monofaag

hostplants: Fagaceae, narrowly monophagous

Qercus cerris, ithaburensis subsp. macrolepis, trojana.

fenologie Larven in juli, en in het najaar vanaf september (Hering, 1957a).

phenology Larve in July, and in autumn from September (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa Van Tsjechië en Slowakijë tot Frankrijk, Italië en Griekenland; disjunct ook in Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Czechia and Slovakia to France, Italy, and Greece; disjunct also in South-Russia (Fauna Europaea, 2009).

pop Retinaculum met twee paren heel slanke bijna rechte doorns. Het binnenste en buitenste paar staat zo dicht bijeen dat ze elkaar overdekken (Gregor & Patočka, 2001a; Patočka & Turčáni, 2005a).

pupa Retinaculum with two pairs of very thin, almost straight spines. The inner and outer pair are so closely set together that they cover each other (Gregor & Patočka, 2001a; Patočka & Turčáni, 2005a).

literatuur

references

Csóka (2003a), Deschka (1982a, 2014a), Gregor (1952a), Gregor & Patočka (2001a), Hering (1934a, 1957a), Kvičala (1938a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tomov & Dimitrov (2007a).

16/01/2017