Phyllonorycter aemula Triberti, Deschka & Huemer 1997

Lepidoptera, Gracillariide

mijn Bovenzijdige vouwmmijn, vrijwel niet te onderscheiden van die van Phyllonorycter coryli.

mine Upper-surface tentifom mine, practically indistinguishable from the one of Phyllonorycter coryli.

waardplanten: Betulaceae, monofaag

hostplants: Betulaceae, monophagous

Ostrya carpinifolia.

fenologie Twee generaties, inagines in april-begin juni en juli-begin augustus.

phenology Two generations; adults in April - early-June, and July - early-August.

verspreiding binnen Europa Noord-Italiƫ, Oostenrijk.

distribution within Europe Northern Italy, Austria.

pop Cremaster met twee paar doorns; het binnenste paar vrij slank, met naar binnen gebogen spitsen, het buitenste paar groot en lang, naar buiten gebogen; het buitenste paar steekt, van boven gezien, uit de contour van het cremaster. In tegenstelling tot bij Phyllonorycter coryli en Ph. esperella is het oppervlak van het cremaster glad.

pupa Cremaster with two pairs of spines; the inner pair rather slender, with their apices directed inwards; the pair, large and long, pointing outwards. Seen from above the outer pair widely exceeds the outline of the cremaster. Contrary to Phyllonorycter coryli and Ph. esperella the surface of the cremaster is smooth.

literatuur

references

Huemer (2012a), Triberti, Deschka & Huemer (1997a), Wieser & Huemer (1999a), Nel & Varenne (2014a).

23/10/2014