Phyllonorycter corylifoliella (Hübner, 1796)

Lepidoptera, Gracillariidae

Crataegus monogyna, Duin en Kruidberg

Phyllonorycter corylifoliella mine

Crataegus monogyna, Duin en Kruidberg

Sorbus aucuparia, Amsterdam

Phyllonorycter corylifoliella mine

Sorbus aucuparia, Amsterdam

Crataegus monogyna, Pietersberg

Crataegus monogyna, Pietersberg

Prunus serotina, Burgh-Haamstede, Zeepeduinen: een zeer ongewone waardplant

Phyllonorycter corylifoliella mine

Prunus serotina, Burgh-Haamstede, Zeepeduinen: a very unusual hostplant

Corylus avellana, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

Phyllonorycter corylifoliella: mine on Corylus avellana

Corylus avellana, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

mijn Zilverige bovenzijdige epidermale vouwmijn, gecentreerd op de hoofdnerf of een zware zijnerf. In tegenstelling tot bij Ph. leucographella, waarmee deze soort veel waardplanten deelt, is de mijnepidermis bespikkeld door zwartbruine frass-druppels. Er zijn geen plooien totdat het blad sterk is samengetrokken. Jonge mijnen zien er uit als een zilveren streepje boven een nerf.

mine Silvery, upper-surface, epidermal tentiform mine, centered over the midrib or a heavy lateral vein. Contrary to Ph. leucographella, with which this species shares some hostplants, the upper epidermis looks dirty by the presence of numerous fine black-brown specks of frass. The epidermis remains without folds untill the mine becomes strongly contrated. Young mines look like a streak of silver on top of a vein.

waardplanten: Rosaceae, zelden Betulaceae en Elaeagnaceae; nauw polyfaag

hostplants: Rosaceae, rarely Betulaceae and Elaeagnaceae; narrowly polyphagous

Amelanchier lamarckii, ovalis; Betula pendula, pubescens; Chaenomeles japonica; Cotoneaster nebrodensis; Crataegus laevigata, monogyna; Cydonia oblonga; Hippophae rhamnoides; Malus domestica, sylvestris; Mespilus germanica; Prunus avium; Pyrus communis, spinosa; Sorbus aria, aucuparia, domestica, torminalis; Spiraea.

Betula treedt vooral in Noord-Europa als waardplant op (Triberti, 2007a).

Van Frankenhuyzen (1975a) vermeldt nog een waarneming van Fagus sylvatica, maar nadere gegevens ontbreken (gal van Aceria nervisequa?) Vermeldingen in de literatuur van Corylus avellana als waardplant berusten gewoonlijk op verwarring met Phyllonorycter coryli, maar dat geldt niet voor de foo hierboven.

Hartig (1939a) vermeldt nog Alnus glutinosa; xenofagie?

Betula as a hostplant mainly occurs in northern Europe (Triberti, 2007a).

Van Frankenhuyzen (1975a) reports an observation on Fagus sylvatica, details are not given (gall of Aceria nervisequa?). Reports in the literature of Corylus avellana generally are due to confusion with Phyllonorycter coryli, but that does not apply to the picture above.

Hartig (1939a) reports Alnus glutinosa; xenophagy?

fenologie Mijnen zijn gevonden van juni tot october; volgens Emmet, Watkinson & Wilson (1985a) leven de larven in juli en september-october.

phenology Mines are found from June till October; according to Emmet, Watkinson & Wilson (1985a) the larvae live in July, and September - October.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Entire Europe (Fauna Europaea, 2009).

synoniemen Lithocolletis corylifoliella. De vorm van berk wordt door Emmet, Watkinson & Wilson (1985a) opgevat als een aparte vorm, f. betulae Zeller, 1839.

synonyms Lithocolletis corylifoliella. The from on Birch is considered by Emmet, Watkinson & Wilson (1985a) a separate form, f. betulae Zeller, 1839.

opmerkingen In tegenstelling tot zijn schijnbare eenvoud is deze mijn in werkelijkheid zeer gecompliceerd (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a). Kort nadat de jonge larve begonnen is met de epidermale blaas, maakt hij namelijk een tweede mijn, daarbinnen, in het palissadeparenchym. Een tijdlang leeft hij alleen of hoofdzakelijk in die binnenmijn. Pas in een vrij laat stadium gaat hij over naar de buitenmijn, en eet dan het dak van de binnenmijn op. Wat overblijft van de binnenmijn is een zwarte vlek in het palissadeparenchym (van Frankenhuyzen, 1975a). Deze vlek onderscheidt de mijn van corylifoliella van die van Callisto denticulella (van Frankenhuyzen & Freriks, 1975b).

De mijnen lijken sterk op die van Ph. leucographella, een soort die nog maar sinds 1991 tot onze fauna hoort (Stigter & van Frankenhuyzen, 1991a). Deze soort leeft gewoonlijk op vuurdoorn (Pyracantha), maar sommige Nederlandse auteurs veronderstellen dat leucographella inmiddels de overstap naar een groot aantal andere Rosaceae gemaakt heeft (Huisman & Koster, 2000a). Zeker is wel dat in leucographella op Rosaceae als appel en meidoorn mijnen vormt als er vuurdoorns in de buurt staan. Ph. leucographella overwintert als larve (Stigter & van Frankenhuyzen, 1991a, ook eigen waarneming), terwijl corylifoliella als pop overwintert (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a).

notes Despite its apparent simplicity this mine in reality is quite complicated (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a). Shortly after having started the epidermal mine, the yuong larva begins to make a second mine within it, in the palissade parenchyma. For a while the larve lives only, or mainly, in this inner mine. Only at a rather late stage it returns to the outer mine, and then consumes also the roof of the inner mine. What remains of the inner mine is a black patch in the palissade parenchyma (van Frankenhuyzen, 1975a). This patch distinguishes the mine of corylifoliella from that of Callisto denticulella (van Frankenhuyzen & Freriks, 1975b).

The mines strongly resembles those of Ph. leucographella, a species that only since 1991 belongs to the Dutch fauna (Stigter & van Frankenhuyzen, 1991a). This species basically lives on Firethorn (Pyracantha), but some authors suppose that leucographella already has made the stepover to a large number of other Rosaceae genera (Huisman & Koster, 2000a). This much is certain that leucographella forms mines on Apple an Hawthorn when Firethorn is growing nearby. Ph. leucographella hibernates as larva (Stigter & van Frankenhuyzen, 1991a, also own observation), while corylifoliella hibernates as pupa (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a).

Sorbus aucuparia, Nieuwendam. De zilverige, met frasssdruppels bespikkelde epidermis is grotendeels verwijderd. Daaronder is het beschadigde dak van de binnenmijn te zien (die een heel ander type frasskorrels bevat!) De larve in deze mijn was dood, en de binnenmijn was verdroogd en verbruind. Als dat niet het geval zou zijn geweest was de binnenmijn groen, en nóg lastiger te zien.

Sorbus aucuparia, Nieuwendam. The silvery epidermis, speckled with drops of frass, has largely been removed. Below it the damaged roof of the inner mine is visible (containing a very diffferent type of frass). The larva in this mine was dead, and the roof of the inner mine was dry and brown. Otherwise the roof of the inner mine would have been green (and even more difficult to observe).

literatuur

references

Ahr (1966a), Amsel & Hering (1933a), Baggiolini (1960a), Barton (2015a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Buhr (1935a,b, 1964a), Buszko (1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Corley, Merckx, Cardoso, Dale,Marabuto, Maravalhas & Pires (2012a), Csóka (2003a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1968a, 1970a, 1974a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), van Frankenhuyzen (1975a), van Frankenhuyzen & Freriks (1975b), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a) , Grandi (1931a, 1932a, 1933a), Gregor & Patočka (2001a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1927b, 1957a), Huber (1969a), Huemer (1988a, 2012a), Huisman & Koster (2000a), Jaworski (2009a), Kasy (1987a), Klimesch (1950c), Klimesch & Skala (1936b), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Lhomme (1934c), Maček (1999a), Michna (1975a), Nel & Varenne (2014a), Nowakowski (1954a), Olivella (2008a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (2005), Plóciennik, Pawlikiewicz & Jaworski (2011a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Skala (1941a, 1951), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Stigter & van Frankenhuyzen (1991a), Stolnicu (2008a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tourlan (1980a), Triberti (2007a), Yefremova & Kravchenko (2015a), Zoerner (1969a).

07/04/2017