Phyllonorycter delitella (Duponchel, 1843)

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Kleine, onderzijdige vouwmijn, ca 9 x 5 mm, met één sterke plooi in de onderepidermis; bovenzijde van de mijn gewoonlijk geheel leeggegeten. Pop in de mijn, in een zijden cocon van ca 5 mm die met onder- en bovenzijde aan de mijn is bevestigd. Frass langs de zijden van de cocon. Patočka & Turčáni (2005a) noemen de cocon schijfvormig.

mine Small, lower-surface, tentiform mine, c. 9 x 5 mm, with one strong fold in the lower epidermis; upperside of the mine mostly entirely eaten out. Pupa in the mine in a silken cocoon of about 5 mm, that is attached to the mine at its upper and lower side. Frass along the sides of the cocoon. Patočka & Turčáni (2005a) describe the cocoon as discoid.

waardplanten: Fagaceae, nauw monofaag

hostplants: Faagaceaea, narrowly monophagous

Quercus pubescens.

fenologie Larven in juli en september-october (Hering, 1957a).

phenology Larvae in July and September-October (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa Van Zuid-Duitsland tot Spanje, Corsica en Sardinië, Italië en Griekenland, en van Frankrijk tot Roemenië (Huber, 1969a; Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From southern Germany to Spain, Corsica, Sardinia, Italy, and Greece, and from France to Romania (Huber, 1969a; Fauna Europaea, 2009).

pop Beschreven door Gregor & Patočka (2001a) en Patočka & Turčáni (2005a). Het cremaster lijkt sterk op dat van Ph. harrisella.

pupa Described by Gregor & Patočka (2001a) and Patočka & Turčáni (2005a). The cremaster strongly resembles that of Ph. harrisella.

literatuur

references

Baldizzone (2004a), Gregor (1952a), Gregor & Patočka (2001a), Hering (1934a, 1957a), Huber (1969a), Kasy (1979a, 1983a, 1987a), Klimesch (1950c), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Skala (1951a), Szőcs (1977a, 1981a), Tomov & Dimitrov (2007a).

16/01/2017