Phyllonorycter juncei (Walsingham, 1907)

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Onderzijdige vouwmijn. De mijn heeft sterke dwarse plooien, waardoor het blaadje in een sterk boog naar beneden kromt. Frass geconcentreerd in de distale hoek van de mijn. Verpopping in de mijn. Als gewoonlijk in het genus werkt de pop zich onmiddelijk voor het uikomen half naar buiten; ongewoon is dat dit meestal gebeurt via de bovenzijde van het blad.

mine Lower-surface tentiform mine. The mine has strong, transverse, folds, that cause the tip of the leaflet to strongly curve downwards. Frass concentrated in the distal corner of the mine. Pupation within the mine. As is the rule in the genus, just before ecdysis the pupa works itself halfway out of the mine; unusual is that this mostly happens through the upper epidermis.

waardplanten: Fabaceae, oligofaag

hostplants: Fabaceae, oligophagous

Genista maderensis, stenopetala, tenera; Spartium junceum.

fenologie Larven in maart en mei (Hering, 1957a).

phenology Larvae in March and May (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa Canarische Eilanden.

distribution within Europe Canary Islands.

opmerkingen Op Madeira leeft, op dezelfde waardplanten, de ondersoort Ph. juncei madeirae Deschka, 1976.

Voorkeur voor planten in de schaduw en voor zaailingen.

notes On Madeira lives, on the same hostplants, the subspecies Ph. juncei madeirae Deschka, 1976.

Preferance for plants growing in the shade, and for seedlings.

literatuur

references

Aguiar & Karsholt (2006a), Deschka (1969b, 1976a), Hering (1927a, 1957a), Klimesch (1979a).

13/02/2017