Phyllonorycter klimeschiella (Deschka, 1970)

Lepidoptera, Gracillariidae

Arbutus canariensis, Tenerife; uit Klimesch (1979a)

Phyllonorycter klimeschiella mine

Arbutus canariensis, Teneriffa; from Klimesch (1979a)

mijn Aanvankelijk een onderzijdig epidermale gang langs de hoofdnerf. Deze gaat over in een vouwijn van 32-40 x 8-9 mm, met één Y-vormige plooi. De frass ligt in het algemeen verspreid in de mijn, zelden in een klomp. De bovenzijde van de mijn wordt geheel leggegeten, er blijft geen groen centrum over. Verpopping in de mijn, gewoonlijk in het bovenste deel ervan, in een met frass bedekte cocon van 5.5 x 1.5 mm. De mijn wordt via de onderzijde verlaten.

mine Initially a lower-surface epidermal corridor along the midrib. This makes place for a tentiform mine of 32-40 x 8-9 mm, with one Y-shaped fold. Frass mostly scattered throughout the mine, less often in a clump. The roof of the mine is completely eaten out, no green centre is remaining. Pupation within the mine, usually in its top part, in a cocoon of 5.5 x 1.5 mm, covered with frass. The mine is vacated through the underside.

waardplanten: Ericaceae, monofaag

hostplants: Ericaceae, monophagous

Arbutus canariensis.

Voorkeur voor jonge struiken.

Preference for young shrubs.

fenologie Bezette mijnen gevonden in januari-maart.

phenology Occupied mines found in January - March.

verspreiding binnen Europa Canarische Eilanden.

distribution within Europe Canary Islands.

pop Beschreven door Deschka (1969a). Abd2-4 lateraal met een paar zware, naar buiten wijzende, doorn, zoals bij Ph. muelleriella. Cremaster met twee paar doorns, het binnenste paar veel korter dan het buitenste.

pupa Described by Deschka (1969a). Abd2-4 laterally with a pair of heavy, outwards pointing spines, like in Ph. muelleriella. Cremaster with two pairs of spines, the inner pair much shorter than the outer one.

literatuur

references

Deschka (1969d, 1972b), Klimesch (1979a).

modif. 6.x.2009