Phyllonorycter leucographella (Zeller, 1850)

Lepidoptera, Gracillariidae

Pyracantha coccinea, Amsterdam

Phyllonorycter leucographella mine

Pyracantha coccinea, Amsterdam

frass

frass

Sorbus aucuparia, België, prov. Namen, Couvin, lieu-dit Champagnat © Stéphane Claerebout

Phyllonorycter leucographella: mine on Sorbus aucuparia

Sorbus aucuparia, Belgium, prov. Namur, Couvin, lieu-dit Champagnat © Stéphane Claerebout

mijn Het ei wordt afgezet op de hoofdnerf bij de basis van het blad. Van daaruit loopt een epidermaal gangtje over de hoofdnerf, dat zich verbreedt tot een bovenzijdige, aanvankelijk epidermale, zilverige, uiteindelijk sterk samengetrokken vouwmijn. Frass in fijne glimmende korreltjes, de meeste in een lijn boven de hoofdnerf, zelden in een klomp in een hoek van de mijn. De epidermis van de mijn heeft veel gele vlekjes, maar geen zwarte spikkels, zoals bij Ph. corylifoliella. De mijn heeft in tegenstelling tot Ph. corylifoliella geen binnenmijn (Emmet, 1998a; Triberti, 2007a).

mine Oviposition is on the base of the midrib. From there an epidermal corridor is made, running towards the leaf tip. The corridor then is widened into an epidermal, silvery blotch, finally into a longitudinally contracted tentiform mine. Frass in fine, shining grains, mostly in a line over the midrib, rarely in a mass in a corner of the mine. The epidermis of the mine has a number of yellow spots, but never the black specks that are apparent in Ph. corylifoliella. Contrary to the species also there is no inner mine (Emmet, 1998a; Triberti, 2007a).

waardplanten: Rosaceae, oligofaag

hostplants: Rosaceae, oligofaag

Pyracantha coccinea

In de zomer kunnen vanuit dichte populaties ook andere Rosaceae worden bezet, met name Chaenomeles; Cotoneaster lucidus; Crataegus; Cydonia oblonga; Malus; Pyrus; Sorbus torminalis. Ook al omdat alleen Pyracantha 's winters zijn blad houdt en leucographella larven niet in diapause gaan is dit de normale thuisbasis. (Sefrová. 1999a; Triberti, 2007a).

In Engeland zijn ook mijnen die vermoedelijk tot deze soort behoren gevonden waargenomen op Fagus sylvatica (Langmaid & Young, 2009a); Ben van As vond soortgelijke mijnen in Nederland (UKleafminers, 2008). Het lijkt er vooralsnog niet de de larven hun ontwikkeling op deze waardplant kunnen voltooien.

When population densities become high in summer also other Rosaceae may be infested, like Chaenomeles; Cotoneaster lucidus; Crataegus; Cydonia oblonga; Malus; Pyrus; Sorbus torminalis. Because only because only Pyracantha keeps his foliage in winter, and leucographella larvae do not have a diapause, this is their normal home base (Sefrová. 1999a; Triberti, 2007a).

In Britain mines have been found that probably belong to leucographella on Fagus sylvatica (Langmaid & Young, 2009a); Ben van As reports to have found similar mines in the Netherlands (UKleafminers, 2008). For the moment it seemes that that larvae cannot complete their development on this substrate.

fenologie Stigter & van Frankenhuyzen, (1991a) vonden twee larven-generaties, mei-augustus en september-april; de soort overwintert als larve.

phenology

fenologie Stigter & van Frankenhuyzen, (1991a) found two larval generations, May-August and September-April; the species hibernates in the larval stage.

BENELUX

BE waargenomen (De Prins, 1998a).

NE waargenomen (Stigter & van Frankenhuyzen, 1991a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (De Prins, 1998a).

NE recorded (Stigter & van Fran kenhuyzen, 1991a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Finland tot de Pyreneën, Italië en Griekenland, en van Engeland tot Hongarijë (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Finland to the Pyrenees, Italy and Greece, and from Britain to Hungary (Fauna Europaea, 2008).

synoniemen Lithocolletis leucographella.

synonyms Lithocolletis leucographella.

opmerkingen Waarschijnlijk leefde de soort in het begin van de 20e eeuw in het Middellandse Zeegebied. De soort heeft zich sinds de eerste waarneming in Nederland (1984, de Lutte) met grote snelheid over het land verspreid en was tot ca 2006 zeer gewoon in tuinen en parken. Na die tijd is de talrijkheid weer sterk aan het afnemen. Ook in Duitsland en Engeland heeft leucographella een uitermate snelle expansie doorgemaakt (Bathon, 1984a; Emmet, 1989a, 1990a; Nash ea, 1995a).

notes Probably the species was restricted to the Mediterranean Region in the early 20th century. Since its first obervation in the Netherlands (1984, de Lutte, in the eastern part of the country) the species has rapidly expanded and became extremely common in gardens and parks until about 2006. After that time the abundance has declined sharply. Also in Germany and Britain leucographella has made a spectacular expansion (Bathon, 1984a; Emmet, 1989a, 1990a; Nash ao, 1995a).

literatuur

references

Bathon (1984a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Csóka (2001a, 2003a), Deutschmann (2008a), Emmet (1998a), Gregor & Patočka (2001a), Hartig (1939a), Hering (1957a), Homan (2012a), Huemer (1988a), Huisman & Koster (2000a), Jaworski (2009a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & de Vos (1999a), Langmaid & Young (2009a), Liška ao (2000a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sauer (1981a), Sefrová (1999a, 2005a), Stigter & van Frankenhuyzen (1991a), Triberti (2007a).

16/11/2016