Phyllonorycter messaniella (Zeller, 1846)

Lepidoptera, Gracillariidae

Castanea sativa, België, prov. Antwerpen, Retie, Prinsenpark © Carina Van Steenwinkel

Phyllonorycter messaniella: mine on Castanea sativa

Castanea sativa, Belgium, prov. Antwerp, Retie, Prinsenpark © Carina Van Steenwinkel

mijn met uitgekomen pop

Phyllonorycter messaniella: mine on Castanea sativa

mine with exuvium

frass-patroon

Phyllonorycter messaniella: frass pattern

frass pattern

Quercus x turneri, Amsterdam-Oost; de meeste mijnen bevinden zich in de onderste bladhelft

Phyllonorycter messaniella mine

Quercus x turneri, Amsterdam-Oost; most mines occur in the basal half of the leaf

een jonge en een volgroeide mijn

Phyllonorycter messaniella mine

a young and a fully developed mine

de rechter van de twee hierboven, doorvallend licht (geen larve of pop te zien: de mijn bevatte een witte parasitoid-cocon).

Phyllonorycter messaniella mine

the right one of the two above, lightes from behind (no larva or pupa to be seen: the mine contained a white parasitoid cocoon).

pop in de mijn

Phyllonorycter messaniella mine

pupa in the mine

zelfde mijn, geopend

Phyllonorycter messaniella mine

same mine, opened

mijn Kleine ovale onderzijdige vouwmijn, 9-14 mm lang, tussen twee zijnerven. De onderepidermis heeft één scherpe plooi (soms bij het eind gegaffeld). De pop ligt in een zeer ijle cocon, die aan de zijden en de achterkant een beetje frass bevat.

mine Small, oval, lower-surface tentiform mine, 9-14 mm long, mostly between two lateral veins. The lower epidermis with a single sharp fold (sometimes forked near its end). Pupa in very flimsy cocoon, that contains a bit of frass laterally and at the rear end.

waardplanten: Polyfaag op houtige gewassen.

hostplants: Polyphagous on woody plants.

Carpinus betulus; Castanea sativa; Fagus sylvatica; Prunus; Quercus x hispanica, ilex, petraea, robur, suber; Tilia cordata.

Quercus-soorten vormen de belangrijkste waardplanten.

Quercus species are the most important hostplants.

fenologie Larven in juli en october (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a), maar soms nog een wintergeneratie (zie de opmerking hieronder).

phenology Larvae in July and October (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a), but sometimes an additional winter generation (see the note below).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Europa ten zuiden van de lijn Ierland, Engeland, Denemarken, Ukraïne; ook de Macaronesische Eilanden (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Europe south of the line Ireland, Britain, Denmark, Ukraine; also Macaonesian Islands (Fauna Europaea, 2009).

synoniemen Lithocolletis messaniella.

synonyms Lithocolletis messaniella.

opmerkingen In Engeland wordt een derde larvengeneratie waargenomen in de periode december-maart; deze overwinterende larven zijn alleen gevonden in mijnen op Quercus ilex, die 'swinters zijn blad niet verliest. Hoe de soort overwintert in gebieden waar Q. ilex niet voorkomt is niet duidelijk (Emmet, 1975b).

De hier afgebeelde mijnen stammen uit een soortgelijke wintergeneratie; Q. x turneri is een bastaard van Q. ilex en Q. robur, en behoudt 's winters zijn blad. Jonge mijnen, met actieve larven, werden op 20 januari verzameld, in een onverwarmde kamer bewaard, en leverden een maand later poppen.

Gregor & Patočka (2001a) schrijven dat de cocon van de wintergeneratie bijna geheel met frass is bedekt. Dat geldt niet voor het Nederlandse materiaal.

notes In Britain a third larva generation has been found in the period December - March; the hibernating larvae do exclusively ocur on Quercus ilex, that keeps its foliage during winter. How the species hibernates in regions without wintergreen oaks is unclear (Emmet, 1975b)

The mines illustrated above stem from a similar winter generation; Q. x turneri is a hybrid between Q. ilex and Q. robur and keeps its leaves during winter. Young mines, with active larvae, were found January 20th, kept in an unheated room, and provided pupae a month later.

Gregor & Patočka (2001a) wrote that the cocoon of the winter generation is almost entirely covered with frass. This does not apply to the Dutch material.

literatuur

references

Aguiar & Karsholt (2006a), Amsel & Hering (1933a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Buhr (1930a), Corley (2005a), Deutschmann (2008a), Emmet (1975b), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Gregor & Patočka (2001a), Harper & Langmaid (1978a), Hartig (1939a), Hering (1927a, 1932e,g, 1934a, 1936b, 1957a, 1967a), Hubble (2013b), Klimesch (1950c, 1979a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), A & Z Laštuvka (2007a, 2014a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a), Tomov & Dimitrov (2007a), Tourlan (1980a), Triberti & Braggio (2011a), Ureche (2010a).

23/11/2016