Phyllonorycter olympica Deschka, 1983

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Onderzijdige vouwmijn met één sterke plooi. De meeste frass ligt aan weerszijden van de cocon. Het dak van de mijn is geheel uitgevreten, er blijft geen groen centrum over.

mine Lower-surface tentiform mine with one strong fold. Most frass lies alongside the cocoon. The roof of the mine is completely eaten out, no green centre is remaining.

waardplanten: Fagaceae, nauw monofaag

hostplants: Fagaceae, narrowly monophagous

Quercus coccifera.

fenologie Larven waargenomen in april.

phenology Larvae found in April.

verspreiding binnen Europa Griekenland, Sterea.

distribution within Europe Greece, Sterea.

pop Abd. 2-4 dorsolateraal met een paar sterke, naar buiten gerichte doorns, zoals bij Ph. muelleriella. Cremaster met twee paar doorns, de spitsen van het binnenste paar wijzen naar binnen, die van het, wat zwaardere, buitenste paar naar buiten.

pupa Abd. 2-4 dorsolaterally with a pair of strong, outwards directed spines, like in Ph. muelleriella. Cremaster with two pairs of spines, the inner pair with their apices pointing inwards, the outer pair, somewhat stronger than the inner, with their apices pointing outwards.

opmerkingen Deschka vond de mijnen op zaailingen die groeiden diep in rotsspeten en grotjes.

notes Deschka found the mines on seedslings growing deep in rock crevices and shallow caves.

literatuur

references

Deschka (1983a), A & Z Laštuvka (2007a).

modif. 1.x.2009