Phyllonorycter platani (Staudinger, 1870)

Lepidoptera, Gracillariidae

Platanus hispanica, Amstelveen

Phyllonorycter platani mines

Platanus hispanica, Amstelveen

bovenzijde van een mijn

Phyllonorycter platani mine

upperside of a mine

Platanus hispanica, België, prov. Luxemburg, Rachecourt: af en toe komen ook bovenzijdige mijnen voor; © Jean-Yves Baugnée

Phyllonorycter platani: upper-surface mines on Platanus hispanica

Platanus hispanica, Belgium, prov. Luxembourg, Rachecourt: now and then upper-surface mines are found; © Jean-Yves Baugnée

Platanus orientalis, Bulgarij, Varna © Stéphane Claerebout: doorzichtfoto van twee begin-gangetjes

Phyllonorycter platani: initial gallery of mine

Platanus orientalis, Bulgaria, Varna © Stéphane Claerebout: two initial galleries (lighted from behind)

mijn De mijn begint met een soms wel een paar cm lang epidermaal gangetje. Dit gaat over in een vlakke, grijsgroene, onregelmatige gelobde blaas. De volgroeide mijn is uiteindelijk een oranjebruine vouwmijn met een aantal lengteplooien. De mijn is bijna altijd onderzijdig. De bovenzijde ziet er uit als een gemarmerde ovaal, omdat de larve plaatselijk vensters heeft weggevreten uit de bovenepidermis.

mine The mine begins as an epidermal corridor, sometimes several cm in length. This widens into a shallow, greyish green, irregularly lobed blotch. The fully developed mine is an orange brown tentiform mine with a number of length folds. Almost all mines are lower-surface. The upperside of the mine then is a mottled oval, because the larva here and threre has eaten holes in the roof of the mine, i.e., the palissade parenchhyma.

waardplanten: Platanaceae, monofaag

hostplants: Platanaceae, monophagous

Platanus acerifolia, occidentalis, orientalis.

fenologie Larven tot laat in het najaar (novermber); in Nederland drie generaties. Mijnen van de zomer- en najaarsgeneratie zijn veel groter dan voorjaarsmijnen, omdat bladeren later in het seizoen minder voedsel bevatten, en de larve daarom meer moet eten (van Frankenhuyzen, 1983a). Overwintering als pop in de mijn in afgevallen blad.

phenology Larvae untill late in autumn (November); in the Netherlands three generatations. Mines of the summer and autumn generation are much larger than those of the spring generation, because the leaf tissue later in the season is less nutritious, forcing the larvae to consume more (van Frankenhuyzen, 1983a). Hibernation as pupa in the fallen leaf.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE in 1965 voor het eerst in Nederland waargenomen (van Frankenhuyzen, 1983a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2009).

NE first recorded in 1965 (van Frankenhuyzen, 1983a)

LUX not recorded

verspreiding binnen Europa heel Europa tern zuiden van Oslo, maar (nog?) niet in Ierland (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe All Europe south of Oslo, but not (yet?) in Ireland (Fauna Europaea, 2009).

synoniemen Lithocolletis platani.

synonyms Lithocolletis platani.

inquilinen: Eriophyes platani.

inquilines: Eriophyes platani.

opmerkingen Soort heeft een sterke areaal-uitbreiding ondergaan (Sefrová, 2001a).

Bomen kunnen zwaar aangetast zijn, met niet zelden ca 10 mijnen op één blad. Het aantal beginmijntjes (die waarschijnlijk niet verder zullen komen) kan nog veel groter zijn. De bomen lijken er desondanks niet onder te lijden (Burger ea, 1984a).

notes The species has undergone a strong expansion of its area (Sefrová, 2001a).

Trees can be heavily infested, not rarely with c. 10 mines per leaf. The number of young mines (most probably abortive) may be even much larger. Nevertheless, the trees do not seem to be negatively affected (Burger ao, 1984a).

literatuur

references

Aguiar & Karsholt (2006a), Beiger (1979a), Bengtsson & Johansson (2011a), Burger ao (1984a), Burmann (1980a), Buszko (1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Corley (2005a), Csóka (2003a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1970a), Emmet (1985a, 1991a), Flügel (2011a), van Frankenhuyzen (1983a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Gegor & Patočka (2001a), Grandi 1931a, 1933a), Hartig (1939a), Hering (1927a, 1936b, 1957a), Huemer & Erlebach (2003a), Jaworski (2009a), Klimesch (1950c), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Kvičala (1938a), Lhomme (1934a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Nel & Varenne (2014a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (2005a), Plóciennik, Pawlikiewicz & Jaworski (2011a), Principi (1953a), J & W De Prins & De Coninck (2003a), De Prins, 1998a), De Prins & Steeman (2013a), Sefrová (2001a, 2005a), Skala (1941a, 1951a), Starý (1930a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Ureche (2010a), Utech (1962a).

16/01/2017