Phyllonorycter staintoniella (Nicelli, 1853)

Lepidoptera, Gracillariidae

mijn Bovenzijdige vouwmijn (volgens Hering, 1957a, bij gouden regen meestal onderzijdig). De mijn is sterk samengetrokken, waardoor het blaadje vrijwel dubbelgevouwen wordt en de mijn aan het oog wordt onttrokken. Verpopping in de mijn in een zeer ijle coocon, in het basale deel van het blad. Pop altijd naar de bladsteel gericht (le Marchand, 1926a). Frass in de distale hoek van de mijn.

mine Upper-surface tentiform mine (according to Hering, 1957a, mostly lower-surface in Laburnum). The mine is strongly contracted, almost folding the leaflet to a pod and concealing the mine. Pupa in the mine in a flimsy cocoon, in the basal part of the mine. Pupa always directed towards the petiole (le Marchand, 1926a). Frass in the distal corner of the mine.

waardplanten: Fabaceae, oligofaag

hostplants: Fabaceae, oligohagous

Cytisus austriacus, procumbens, ratisbonensis, scoparius; Genista pilosa, scorpius, tinctoria, versicolor; Laburnum anagyroides; Lembotropis nigricans.

A & Z Laštuvka (2006a) beschouwen Genista pilosa als de belangrijkste waardplant, Beiger (1979a) voegt Chamaecytisus hirsutus toe aan de lijst, maar zij is niet zeker over de determinatie van de plant. Misschien zijn ook Argyrolobium zanonii en Cytisus villosus waardplanten (Hering, 1957a, als resp. Cytisus argenteus en triflorus).

A & Z Laštuvka (2006a) consider Genista pilosa the main host plant. Beiger (1979a) adds Chamaecytisus hirsutus to the list, but she is uncertain about the identification of the plant. Possibly also Argyrolobium zanonii and Cytisus villosus are hostplants (Hering, 1957a, as Cytisus argenteus and triflorus, respectively).

fenologie Larven in juni-juli en augustus-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June - July and August - September (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Zweden tot de Pyreeneën, Sardinië, Italië en Bulgarijë, en van Engeland tot Polen en Roemenië (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Sweden tot the Pyrenees, Sardinia, Italy, and Bulgaria, and from Britain to Poland and Romania (Fauna Europaea, 2009).

larve Kop lichtbruin, lichaam diep geel (Emmet ea, 1995a) - een heel ongewone kleur voor een gracillariide-larve. Jonge larven met een reeks zwarte vlekken (le Marchand, 1926a).

larva Head pale brown, body deep yellow (Emmet ao, 1985) - a very unusual colour for a gracillariid larva. Young larvae with a series of black spots (le Marchand, 1926a).

pop Beschreven en afgebeeld door Gregor & Patočka (2001a) en Patočka & Turčáni (2005a).

pupa Described and illustrated by Gregor & Patočka (2001a) and Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Phyllonorycter tinctoriella Le Marchand, 1926; Ph. desertella Gregor & Povolný, 1949; op grond van de bouw van de poppen zijn Gregor & Patočka (2001a) en Patočka & Turčáni (2005a) het met deze synonymie oneens.

synonyms Phyllonorycter tinctoriella Le Marchand, 1926; Ph. desertella Gregor & Povolný, 1949; Gregor & Patočka (2001a) and Patočka & Turčáni (2005a) disagree with this synonymy, basing themselves on details of the morphology of the pupa.

literatuur

references

Beiger (1979a), Bengtsson & Johansson (2011a), Buhr (1935b), Buszko (1992b), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Gregor & Patočka (2001a), Hering (1957a), Huemer & Erlebach (2003a), Kasy (1983a, 1987a), Klimesch (1958c), A & Z Laštuvka (2006a, 2011a, 2014a), Z Laštůvka, A Laštůvka, Liška, Marek, Skyva & Vávra (1992a), le Marchand (1926a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Szőcs (1977a, 1981a).

27/01/2017