Sedina buettneri (E Hering, 1858)

Lepidoptera, Noctuidae

mijn Eieren in een rijtje onder een omgeslagen bladrand. Vandaar een brede oppervlakkige, wittige mijn. Oudere larven boren in de stengel.

mine Eggs are depsited in a row under a folded leaf margin. From here starts a broad, whitish and shallow mine. Older larvae bore in the stem.

waardplanten: Cyperaceae, Poaceae; nauw polypfaag

hostplants: Cyperaceae, Poaceae; narrowly polyphagous

Carex; Glyceria maxima.

fenologie Larven van het vroege voorjaar tot in juli; overwintering als ei (Hering, 1957a).

phenology Larvae from early spring till in July; hibernation as egg (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2010).

NE recorded (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Van Noord-Europa tot de Pyreneeën, Alpen, Hongarijë en Bulgarijë; niet in Ierland (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe From northern Europe to the Pyrenees, Alps, Hungary, and Bulgaria; not in Ireland (Fauna Europaea, 2010).

larve Wittig met vier roodbruine lijnen; kop, pronotum en anale plaat bruin. Buikpoten elk met een halve cirkel van fijne haakjes.

larva Whitish, with four reddish brown length lines; head, pronotal and anal plate brown. Prolegs each with a semicircle of crochets.

literatuur

references

Ebert (1998a), Hering (1957a), Kuchlein & de Vos (1999a), De Prins (1998a), Szőcs (1977a).

09/12/2011