Stephensia brunnichella (Linnaeus, 1767)

Lepidoptera, Elachistidae

mijn Ei langgerekt, met sterke lengteribbels, aan de bladonderzijde, vlak bij de hoofdnerf, in de basale helft van het blad. Het ei wordt deels ingeboord in het bladweefsel. De larve maakt aanvankelijk een lange nauwe voldiepe gangmijn in de richting van de bladtop; frass hier in een smalle centrale lijn.Na het bereiken van de bladtop wordt een grote, voldiepe, bruine blaasmijn gemaakt. Door het vele spinsel dat in de mijn wordt afgezet is deze ondoorzichtig en sterk samengetrokken. De frass ligt hier in grote zwarte klompen het het begin, of in het centrum, van de blaas. Larven kunnen de mijn verlaten en elders een nieuwe blaasmijn maken, die dan dus niet door een gang wordt voorafgegaan. De larve van de eerste generatie overwintert in de mijn. Verpopping buiten de mijn in een wit spinsel, vaak tussen de bladeren van de waardplant.

mine Egg elongate, with strong longitudinal ridges, at the underside of the leaf, in the basal part, near the midrib. The egg is partly inserted into the leaf tissue. The mine begins as a long, narrow, full depth gallery running towards the leaf tip; frass here in a narrow central line. After the leaf tip has been reached a large, full depth, brown blotch is made. Much silk is deposited within, strongly contracting the mine and making it opaque. Frass lies in big black lumps here either in the oldest part, or in the centre, of the blotch. The larvae are capable of leaving their mine and restarting elswhere, in which case the initial corridor is missing. Larvae of the first generation hibernate in the mine. Pupation external, in a white spinning, often between the leaves of the hostplant.

waardplanten: Lamiaceae, nauw oligofaag

hostplants: Lamiaceae, narrowly oligophagous

Clinopodium nepeta & subsp. glandulosum, vulgare; Origanum.

fenologie Larven van de herfst tot april, en dan weer in juli (Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

phenology Larvae from autumn till April, then again in July (Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

BE recorded (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Grootste deel van Europa; ontbreekt in Spanje, de Middellandse Zee-eilanden, en het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe Most of Europe; missing in Spain, the Mediterranean Islands, and the Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2010).

larve Zie Steuer (1987a) en Baran (2010a); lichaam groenig, kop en prothoracale plaat zwart.

larva See Steuer (1987a) and Baran (2010a); body greenish, head and thoracic plate black.

pop Zie Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a).

pupa See Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen Stephensia staudingeri Nielsen & Traugott-Olsen, 1981 - zie Parenti & Pizzolato (2014a).

synonyms Stephensia staudingeri Nielsen & Traugott-Olsen, 1981 - see Parenti & Pizzolato (2014a).

literatuur

references

Baldizzone (2004a), Baran (2005a, 2010a), Baran, Mazurkiewicz & Palka (2007a), Beiger (1979a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Bland (1996a), Buhr (1935a), Buszko & Beshkov (2004a), Gielis, Huisman, Kuchlein, van Nieukerken, van der Wolf & Wolschrijn (1985a), Hering (1924a, 1957a), Huisman ao (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Nielsen & Traugott-Olsen (1978a, 1981a), Parenti & Pizzolato (2014a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Skala (1949a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Steuer (1987a, 1995a), Šulcs (1996a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

15/02/2017