Trifurcula saturejae (Parenti, 1963)

Lepidoptera, Nepticulidae

mijn Lange slanke gang met een smalle centrale frasslijn. Gewoonlijk begint de mijn aan de onderzijde van een blad (en is dan onderzijdig, en van boven onzichtbaar), en daalt dan via de bladsteel af naar de stengelschors, waar een lange, opstijgende of afdalende mijn gemaakt wordt. Soms is de mijn beperkt tot de stengelschors. Verpopping extern

mine Long, slender gallery with a narrow central frass line. Usually the mine begins at the underside of a leaf (and is lower-surface then, and completely invisible from above), then descends along the petiole to the rind of the stem. Here a long gallery is made, either ascending or descending. Sometimes the mine is limited to the stem. Pupation external.

waardplanten: Lamiaceae, oligofaag

hostplants: Lamiaceae, oligophagous

Clinopodium menthifolium, nepeta & subsp. glandulosum; Micromeria.

Buhr (1940a) noemt de soort van Mentha rotundifolia; daaromtrent is nog geen bevestiging gekregen (van Nieukerken ea, 2006a).

Buhr (1940a) mentions the species Mentha rotundifolia; this still awaits confirmation (van Nieukerken ao, 2006a).

fenologie Larven van juli tot september (A & Z Laštuvka, 1997a).

phenology Larvae from July to September (A & Z Laštuvka, 1997a).

verspreiding binnen Europa Middellandse Zee-gebied van Iberia tot Griekenland.

distribution within Europe Mediterranean Region from Iberia to Greece.

larve Citroengeel, kop lichtbruin.

larva Lemon yellow, head light brown.

literatuur

references

Hering (1957a # 4563), Klimesch (1976a), A & Z Laštuvka (1997a, 2005a), van Nieukerken (1986a), van Nieukerken, A & Z Laštuvka (2004a, 2006a), Parenti (1963a).

16/02/2017