Alnus, els

fam. Betulaceae

1a blaas- of vouwmijn, zonder herkenbare begingang => 2

1b mijn begint met een nauwe gang (die zich verderop al of niet verbreedt); de gang kan kort en gekronkeld zijn => 19

1c vlekmijn => 27

1d mijn eindigt in een ronde of ovale uitsnede => 35

1e wittige dwarsverbinding tussen hoofdnerf en een dikke zijnerf, ergens in de bladtop: Heliozela resplendella

1f gallen etc => 100

2a ronde blaasmijn met frass in concentrische bogen rondom een donker centrum: Leucoptera malifoliella

2b mijn anders, frass niet in concentrische bogen => 3

3a grote blaasmijn; (bijna) voldiep, transparant => 4

3b kleinere blaasmijn of duidelijke vouwmijn, nooit transparant => 9

4a bladonderzijde met ijl spinsel, waarin frasskorrels hangen; larven hardrose: Atemelia torquatella

4b geen spinsel, larven met wittige grondkleur => 5

5a frass in lange draden: Paracrania chrysolepidella

5b frass in losse korrels => 6

6a borstpoten van de larve tot korte, zwarte, driehoekige stompjes gereduceerd (goed te zien met de loupe, ook zonder de mijn te beschadigen)**: Heterarthrus vagans

6b borstpoten min of meer slank**, bijna kleurloos => 7

7a larve: vóór elke buikpoot een zwart boogvormig vlekje; op Alnus viridis: Scolioneura betuleti

7b buikpoten zonder vlekje => 8

8a larve: thorax-segmenten 1-3 en abd. 1 ventraal met een zwarte vlek; uitsluitend op Alnus viridis: Fenusa pumila

8b thorax-segmenten 1-3 en abd. 1 ventraal met een nauwelijks zichtbare pigmentatie; óók op Alnus viridis: Fenusa dohrnii

9a mijn bovenzijdig => 10

9b mijn onderzijdig => 11

10a zilverige blaasmijn, zonder plooi: Caloptilia elongella

10b geelgroene vouwmijn, met 1 lengteplooi: Phyllonorycter stettinensis

11a onderepidermis van de (verse) mijn bruin; mijn klein (ca. 1 cm), meestal aan de bladrand: Caloptilia falconipennella

11b onderepidermis geelgroen tot geel; mijn meestal groter; meestal niet aan de bladrand => 12

12a onderepidermis met 1, sterke, plooi => 13

12b onderepidermis met veel, zwakke, plooitjes => 14

13a soort uit vrijwel geheel Europa; pop: abd. 7 ventraal met een groepje van ca 3+3 naar opzij gerichte stekels: Phyllonorycter rajella

13b soort uit Zuid-Europa (Frankrijk, Italië); pop: deze groep stekels wellicht afwezig: Phyllonorycter vulturella

14a gebergtesoorten, op Alnus viridis => 15

14b laaglandsoorten, op ander Alnus-soorten => 16

14c van Phyllonorycter alnivorella, een soort uit zuid-west Europa, zijn mijn en pop onvoldoende beschreven

15a Centraal-Europese gebergte-soort, op Alnus viridis: Phyllonorycter alpina

15b soort van het gebergte van Corsica, op Alnus viridis subsp. suaveolens: Phyllonorycter suaveolentis

16a pop: cremaster met twee paren doorns (het binnenste paar veel kleiner dan het buitenste); abd7 ventraal met een klein groepje naar buiten wijzende stekeltjes => 17

16b alleen het buitenste paar cremasterdoorns aanwezig; abd7 zonder dit groepje stekeltjes => 18

17a alleen op Alnus incana; pop: achterhoek van metanotum met een putje; abd 7 ventraal met ca 3+3 naar buiten gerichte stekeltjes. Mijn sterker samengetrokken dan die van de veel gewoner klemannella: Phyllonorycter strigulatella

17b op Alnus glutinosa of incana; pop: achterhoek van metanotum zonder putje; abd 7 ventraal met 1+1 naar buiten gerichte stekel: Phyllonorycter klemannella

18a mijn opvallend groot; bij verlaten mijnen steekt het exuvium meestal uit de onderepidermis; larve grijs; soort uit vrijwel heel Europa: Phyllonorycter froelichiella

18b mijn minder groot; bij verlaten mijnen steekt het exuvium altijd uit de bovenepidermis; larve onbekend; soort uit ZW-Europa: Ph. chrysella

19a mijn ontspringt uit de hoofdnerf of een dikke zijnerf => 20

19b mijn begint vrij in het blad => 23

20a gang kort (1-2 cm), smal, niet breder wordend, loopt eventueel van de ene zijnerf naar de ander; geen ovipositie-litteken zichtbaar: jonge mijn van Heliozela resplendella

20b gang langer, breder wordend; aan het begin van de mijn in de nerf een diep ovipositie-litteken => 21

21a gang verbreedt zich niet meer dan nodig is wegens de groei van de larve: Anoplus plantaris & A. roboris

21b gang verbreedt zich plotseling zeer sterk tot een blaas, meestal in de bladtop => 22

22a bladtop verfomfaaid; eerste gangdeel van de mijn ca. 1 mm breed; larven in mei-juni: Orchestes testaceus

22b bladop niet verfomfaaid, eerste gangdeel wijder, larven in juni-augustus: Orchestes jota, Tachyerges pseudostigma & T. stigma

23a kort, sterk gekronkeld gangetje, snel verbreed tot een blaas: Ectoedemia minimella

23b gang niet sterk gekronkeld, weinig of niet breder wordend => 24

24a gang bovenzijdig, zich geleidelijk verbredend, het blad vaak verkleurend; bij begin geen eischaaltje: Agromyza alnivora

24b gang voldiep, slechts weinig breder wordend, het blad nauwelijks verkleurend; gang begint bij een eischaaltje => 25

25a gang kort (< 3 cm); lengte van de larvenkamer > 3x de breedte; eischaaltje iriserend; larve verlaat de mijn aan de bovenzijde: Bucculatrix cidarella

25b gang langer, lengte van de larvenkamer < 3x de breedte; eischaal glimmend; larve verlaat de mijn aan de onderzijde => 26

26a frasslijn 1/3 tot 1/2 van de breedte van de gang; vaak verscheidene mijnen in een blad; larve geel, met grijs prosternum: Stigmella glutinosae (mijnen zonder larve zijn meestal niet te onderscheiden van die van de volgende soort)

26b frasslijn nooit breder dan 1/3 van de breedte van de gang; mijnen gewoonlijk geisoleerd; larve bleekgeel, ook het prosternum: Stigmella alnetella

27a gaatje in de mijn niet zuiver rond; zak slakkenhuisvormig: Apterona paludella

27b gaatje zuiver rond; zak min of meer buisvormig => 28

28a zak slordig, lijkt op een verdord blaadje: C. siccifolia

28b zak anders => 29

29a pistoolzak: Coleophora anatipenella

29b zak klein (ca. 3 mm), sterk gekromd: jeugdzak van Coleophora serratella

29c zak > 5 mm, recht of zwak gekromd => 30

30a zak bestaat uit één, dubbelgevouwen en samengesponnen bladstukje => 31

30bsamengestelde bladzak => 33

30clapjeszak => 34

31a zak driekleppig, ca. 7 mm lang, vrij plomp; de gewoonste Coleophora op els: Coleophora serratella

31b zak tweekleppig => 32

32a volgroeide zak ca 8 mm: C. milvipennis

32b zak ca 13 mm: Coleophora alnifoliae

32c zak 9-12 mm, op els waarschijnlijk alleen xenofaag: C. limosipennella

33a de bladstukjes waaruit de zak is opgebouwd precies passend aaneengecht: Coleophora orbitella

33b deze bladstukjes slordig aaneen: Coleophora binderella

34a zak sterk gekromd; bij de mond een aantal ringetjes: Coleophora fuscocuprella

34b zak niet, of alleen aan het eind ietwat, gebogen; achter de mond geen ringetjes: C. violacea

34c ook van els wordt in de literatuur vaak Coleophora ahenella vermeld, waarvan de zak niet goed te onderscheiden is van die van de vorige; mogelijk betreft het determinatiefouten

35a uitsnede een langerekte ovaal van ca. 3 x 5 mm: Heliozela resplendella

35b uitsnede cirkelrond, ca. 5 mm in diameter: Incurvaria pectinea

100a Nematoda => 101

100b Acari => 102

100c Coleoptera => 103

100e Diptera => 104

100f Hemiptera => 105

100d Hymenoptera => 106

100g roesten => 107

100h brandschimmels => 108

100i echte en valse meeldauwen => 109

100j andere veroorzakers => 110

103 - Coleoptera

103a Cerambycidae: Oberea linearis

103a Curculionidae: Cryptorhynchus lapathi

104 - Diptera

104a Cecidomyiidae: Dasineura tortilis; Jaapiella clethrophila; Macrolabis alnicola

105 - Hemiptera

105a Diaspididae: Chionaspis salicis

105b Psyllidae: Psylla alni

107 - roesten

107a Pucciniastraceae: Melampsoridium betulinum, hiratsukanum

109 - echte en valse meeldauwen

109a Erysiphaceae: Erysiphe penicillata, vernalis; Phyllactinia alnicola

109b Peronosporaceae: Phytophthora alni

110 - andere veroorzakers

110a Bacteria, Frankiaceae: Frankia alni

110b Bacteria, Rhizobiaceae: Agrobacterium tumefaciens

110c Fungi, Taphrinaceae: Taphrina alni, epiphylla, sadebeckii, tosquinetii, viridis

110d Lepidoptera, Heliozelidae: Heliozela resplendella

110e Lepidoptera, Tortricidae: Epinotia immundana, tenerana, tetraquetrana

110f Lepidoptera, Yponomeutidae: Argyresthia brockeella, goedartella

110g Plantae, Santalaceae: Viscum album

**Wanneer de mijn verlaten is, bevat deze toch nog vervellingshuidjes; het verschil in pootstructuur is daaraan gewoonlijk nog gemakkelijk te zien.

De volgende soorten zijn in de literatuur vermeld van Alnus, maar de determinaties lijken dubieus: Orchestes alni (Kollár, 2007a), Phyllonorycter corylifoliella (Hartig, 1939a), Rhamphus pulicarius (Roques, 1998a).

Niet in de tabel opgenomen: Bucculatrix thoracella; Eriocrania alpinella; Fenusella nana.

Alnus, alder

fam. Betulaceae

1a tentiform mine, or a blotch without a long initial corridor => 2

1b mine begins as a narrow corridor, that may or may not widen further on; the corridor can be short and tortuous => 19

1c fleck mine => 27

1d mine ends in an oval or circular excision => 35

1e whitish transverse connection between midrib and a lateral vein, or between two veins, usually not far from the leaf tip: Heliozela resplendella

1f gallen etc => 100

2a circular blotch with frass in concentric arcs around a dark centre: Leucoptera malifoliella

2b mine different, frass not in concentric arcs => 3

3a large blotch; (almost) full dephth, transparant => 4

3b small blotch of evident tentiform mine, never transparant => 9

4a underside of leaf with a loose spinning, in which frass grains are trapped; larvae crimson: Atemelia torquatella

4b no spinning, ground colour of larvae whitish => 5

5a frass in long threads: Paracrania chrysolepidella

5b frass in loose grains => 6

6a thoracal feet of the larva reduced to black triangular stumps** (well visible with a hand lense, without opening the mine): Heterarthrus vagans

6b thoracal feet rather slender**, almost colourless => 7

7a larva: in front of all abdominal prolegs a black crescent-shaped spot; on Alnus viridis: Scolioneura betuleti

7b abdominal prolegs without spots => 8

8a larva: thorax-segments 1-3 and abd. 1 ventrally with a black spot; exclusively on Alnus viridis: Fenusa pumila

8b thorax-segments 1-3 and abd. 1 ventrally with almost imperceptible pigmentation; also on Alnus viridis: Fenusa dohrnii

9a mine upper-surface => 10

9b mine lower-surface => 11

10a silvery blotch without a fold: Caloptilia elongella

10b yellow-green tentiform mine with 1 longitudinal fold: Phyllonorycter stettinensis

11a lower epidermis of the (fresh) mine brown; mine small (ca. 1 cm), usually at the leaf margin: Caloptilia falconipennella

11b lower epidermis yellow-green or yellow, usually larger, not necessarily at the leaf margin => 12

12a lower epidermis with 1, strong, fold => 13

12b lower epidermis with numerous weak folds => 14

13a species from almost all Europe; pup: abd. 7 ventrally with group of about 3+3 spines, directed outwards: Phyllonorycter rajella

13b species from southern Europe (France, Italy); pupa: this group of spines may be missing: Phyllonorycter vulturella

14a mountain species, on Alnus viridis => 15

14b lowland species, on other Alnus spexies => 16

14c of Phyllonorycter alnivorella, a species from south-western Europpe, mine and pupa are not sufficiently known

15a central European mountain species, on op Alnus viridis: Phyllonorycter alpina

15b species of the mountains of Corsica, on Alnus viridis subsp. suaveolens: Phyllonorycter suaveolentis

16a pupa: cremaster with two pairs of spines (the inner pair much the shortest); abd7 ventrally with a small group of outwards pointing spines => 17

16b only the outer pair of crremaster spines present; ab7 without a ventral group of spines => 18

17a only on Alnus incana; pupa: rear angle of metanotum with a pit; 7th abdominal segment ventrally with 3+3 outward directed spines; mine contracted stronger than in the much more common klemannella: Phyllonorycter strigulatella

17b on Alnus glutinosa and incana; pupa: rear margin of metanum without a pit; 7th abdominal segment ventrally with 1+1 outward directed spine: Phyllonorycter klemannella

18a mine remarkably large; in vacated mines the exuvium generally protrudes through the lower epidermis; larva grey; species from almost all Europe: Phyllonorycter froelichiella

18b mine not that large; in vacated mines the exuvium always protrudes through the upper epidermis; larva unknown; species from SW Europe: Ph. chrysella

19a mine begins in midrib or a thick lateral vein => 20

19b mine begins freely in the leaf disc => 23

20a corridor short (1-2 cm), narrow, not widening, may run form one vein to another; no oviposition scar visible: young mine of Heliozela resplendella

20b corridor long, mor or less widening; deep oviposition scar in midrib or vein => 21

21a corridor widening just enough to accomodate the growing larva: Anoplus plantaris & A. roboris

21b corridor suddenly widening into a blotch, usually in the leaf apex => 22

22a leaf apex crumpled; initial corridor ca. 1 mm wide; larva in May-June: Orchestes testaceus

22b leaf apex normal; initial corridor wider; larva in June-August: Orchestes jota, Tachyerges pseudostigma & T. stigma

23a short, strongly contorted corridor, quickly widening into blotch: Ectoedemia minimella

23b corridor not cotorted, little of no widening => 24

24a corridor upper-surface, gradually widening, usually strongly discolouring the leaf: Agromyza alnivora

24b corridor full deep, hardly widening, hardly discolouring the leaf; at the start of the mine a tiny egg shell => 25

25a corridor short (< 3 cm); larval chamber > 3x its width; egg shell iridescent; exit slit upper-surface: Bucculatrix cidarella

25b corridor longer; larval chamber < 3x its width; egg shell shining; exit slit lower-surface => 26

26a frass line 1/3 - 1/2 of the width of the corridor; often several mines in a leaf; larva yellow, with a grey prosternum: Stigmella glutinosae (vacated mines usually cannot be distinguished with certainty form those of the following species)

26b frass line not wider than 1/3 of the corridor width; mines usually single; larva pale yellow, including the prosternum: Stigmella alnetella

27a hole in the mine not neatly circular; case helicoidal: Apterona paludella

27b hole circular; case more or less tubular => 28

28a case untidy, resembles a dead leaf: C. siccifolia

28b case different => 29

29a pistol case: Coleophora anatipenella

29b case small (ca. 3 mm), strongly curved, hooklike: juvenile case of Coleophora serratella

29c case > 5 mm, straight or weakly curved => 30

30a case made of 1 folded and spun leaf fragment => 31

30b composite leaf case => 33

30clobe case => 34

31a case three-valved, about 7 mm lang, rather squat; the commonest Coleophora on Alder: Coleophora serratella

31b case two-valved => 32

32a full-grown case about 8 mm: C. milvipennis

32b case about 13 mm: Coleophora alnifoliae

32c case 9-12 mm; on Alder probably only xenophagous: C. limosipennella

33a the leaf fragments of the case remarkably precisely fit to each other: Coleophora orbitella

33b these leaf fragments untidily connected: Coleophora binderella

34a case strongy bent; behind the mouth a number of rings: Coleophora fuscocuprella

34b case not bent, or only a little near its end; no rings behind the mouth: C. violacea

34c in the literature also Coleophora ahenella, of which the case cannot reliably be separated from the previous, is often reported from Alder; possibly this is due to identification errors

35a excision elliptic, ca. 3 x 5 mm: Heliozela resplendella

35b excision circular, ca. 5 mm in diameter: Incurvaria pectinea

100a Nematoda => 101

100b Acari => 102

100c Coleoptera => 103

100e Diptera => 104

100f Hemiptera => 105

100d Hymenoptera => 106

100g rust fungi => 107

100h smut fungi => 108

100i powdery and downy mildews => 109

100j other causers => 110

103 - Coleoptera

103a Cerambycidae: Oberea linearis

103a Curculionidae: Cryptorhynchus lapathi

104 - Diptera

104a Cecidomyiidae: Dasineura tortilis; Jaapiella clethrophila; Macrolabis alnicola

105 - Hemiptera

105a Diaspididae: Chionaspis salicis

105b Psyllidae: Psylla alni

107 - rust fungi

107a Pucciniastraceae: Melampsoridium betulinum, hiratsukanum

109 - powdery and downy mildews

109a Erysiphaceae: Erysiphe penicillata, vernalis; Phyllactinia alnicola

109b Peronosporaceae: Phytophthora alni

110 - other causers

110a Bacteria, Frankiaceae: Frankia alni

110b Bacteria, Rhizobiaceae: Agrobacterium tumefaciens

110c Fungi, Taphrinaceae: Taphrina alni, epiphylla, sadebeckii, tosquinetii, viridis

110d Lepidoptera, Heliozelidae: Heliozela resplendella

110e Lepidoptera, Tortricidae: Epinotia immundana, tenerana, tetraquetrana

110f Lepidoptera, Yponomeutidae: Argyresthia brockeella, goedartella

110g Plantae, Santalaceae: Viscum album

**Vacated mines still contain the exuvia; usually the difference in structure of the feet can be clearly seen there as well.

The following species have been recorded from Alnus in the literature, but the identifications seem dubious: Orchestes alni (Kollár, 2007a), Phyllonorycter corylifoliella (Hartig, 1939a), Rhamphus pulicarius (Roques, 1998a).

Not included in the key: Bucculatrix thoracella; Eriocrania alpinella; Fenusella nana.

02/02/2017