Betula, berk

fam. Betulaceae

1a mijn eindigt in een ronde of ovale uitsnede => 2

1b blaasmijn zonder voorafgaande gang (of begingang < 3 mm) => 6

1c blaasmijn, voorafgegaan door een ganggedeelte => 23

1d gangmijn van begin tot eind => 30

1e gangmijn die zich zo snel verbreedt dat het ook een driehoekige blaasmijn mag heten; elliptische larve altijd aanwezig: Rhamphus pulicarius

1f vouwmijn => 41

1g vlekmijn => 49

1h gallen etc => 100

2a uitsnede zonder voorafgaande begingang, of begingang < 5 mm => 3

2b uitsnede voorafgegaan door eem smalle of brede gangmijn >> 5 mm (eventueel in een nerf) => 4

3a uitsnede ovaal, ca. 3 x 5 mm: jeugdmijnen van Coleophora-soorten

3b uitsnede bijna cirkelrond, ca. 5 mm in diameter, vaak een aantal in een blad: Incurvaria pectinea

4a het grootste deel van de mijn verloopt in de middennerf of een dikke zijnerf, gaat vandaar een klein stukje de bladschijf in (een kort geelgroen gangetje), en eindigt in een ovale uitsnede: Heliozela hammoniella

4b mijn niet geassocieerd met hoofdnerf of dikke zijnerven => 5

5a gang geleidelijk breder wordend; uitsnede bijna cirkelrond: Orchestes rusci

5b gang zeer lang, draaddun, plotseling tot een blaasmijn verbreed; uitsnede ovaal: Phylloporia bistrigella

6a bij het begin van de mijn, aan de bladrand, een glimmend zwart druppeltje opgedroogd secreet: Trachys minutus

6b niet zo'n druppel => 7

7a frass in draden van een of meer cm lang => 8

7b frass in korrels of hoogstens korte draadstukjes => 12

8a mijn in het centrum van het blad => 25

8b mijn aan de bladrand => 9

9a gewoonlijk verscheidene larven in de mijn; larve zeer transparant: Eriocrania cicatricella

9b 1 larve per mijn; larve grijs of melkwit => 10

10a volgroeide larve loodgrijs; verlaten mijnen nog herkenbaar door een grijs larvehuidje: Eriocrania sangii

10b larvelichaam in elk stadium melkwit => 11

11a achterhoeken van het kopkapsel verlengd en sterk gechitiniseerd, zwart; omdat de kop terggetrokken is in de prothorax ziet het eruit als twee vage zwarte vlekjes: Heringocrania unimaculella

11b pronotum zonder zwarte vlekjes: Eriocrania semipurpurella

12a ronde blaasmijn, met een donker centrum => 13

12b blaasmijn al dan niet rond, altijd zonder donker centrum => 14

13a rond het donkere centrum van de mijn ligt de frass in duidelijke bogen: Leucoptera malifoliella

13b rondom het donkere centrum weinig frass, niet in bogen: Ectoedemia occultella

14a mijn voldiep, ≤ 2 mm, met enkele frasskorrels, met gaatje waardoor de larve de mijn verlaten heeft: Swammerdamia caesiella

14b mijn anders => 15

15a larve kort-gedrongen, pootloos (snuitkeverlarven) => 16

15b larve slanker, met duidelijke poten => 17

16a klein komma- of peervormig mijntje, vaak een aantal in een blad, met veel frass, donker, onopvallend; geen cocon in de mijn: Rhamphus pulicarius

16b mijn groter, helderder, solitair; in oude mijnen een bolvormige cocon: Orchestes jota

17a larve hard-rose gemarmerd; onder de mijn een los netwerk van spinsel, waarin frasskorrels hangen: Atemelia torquatella

17b larve geelwit (afgezien van eventuele zwarte vlekjes): bladwespenlarve => 18

18a mijn begint in het centrum van het blad => 19

18b mijn begint aan de bladrand => 20

(Het oudste deel van de mijn is meestal minder diep, en in doorzicht dus groener, dan latere delen. De frass bestaat hier uit fijnere korrels. Vaak is ook het ovipositielitteken herkenbaar als een hardgroen laag bultje aan de bladbovenzijde.)

19a borstpoten van de larve spits; gewoonlijk verscheidene mijnen, van uiteenlopende grootte, in een blad: Fenusa pumila

19b borstpoten tot stompjes gereduceerd; mijn gewoonlijk solitair: Profenusa thomsoni

20a mijn begint met een driehoekig deel (waarvan een punt aan de bladrand), dat compact met frass is gevuld; pas daarna begint de eigenlijke, vaak grote, blaasmijn: Fenusella nana

20b mijn van meet af aan breed blaasvormig, zonder zo'n basale frassprop => 21

21a oudste deel van de mijn, bij de bladrand, donker roodbruin; mijn met weinig frass; larve maakt een schijfvormige cocon: Heterarthrus nemoratus

21b mijn egaal licht geelbruin, bevat veel frass; geen cocon => 22

22a larven verlaten de mijn in juni: Scolioneura vicina

22b larven van augustus tot october: Scolioneura betuleti

23a frass in lange draden => 24

23b frass in korrels of vlokken => 25

24a begingang gaat geleidelijk in de blaas over; larven midden mei: Eriocrania salopiella

24b begingang gaat plotseling, hoekig, in de blaas over; larven midden juni: Eriocrania sparrmannella

25a mijn begint op of in de middennerf => 26

25b mijn begint elders => 27

26a op de plaats van de eiafzetting, op de onderzijde van de middennerf, een groot litteken; vandaar begint een gangmijn, die zich nabij de bladtop sterk verbreedt; het blad is daar vaak sterk misvormd: Orchestes testaceus

26b geen sterk litteken op de hoofdnerf; ook is de bladtop nooit misvormd: Tachyerges pseudostigma & T. stigma

27a mijn begint met een (onderzijdig, bol, glimmend) eischaaltje, vanwaar een sterk gekronkeld gangetje ontstaat, dat tenslotte overgaat in een blaas: Ectoedemia minimella

27b mijn begint zonder zichtbaar eischaaltje; begingang niet sterk gekronkeld => 28

28a begingang lang en zeer slank: Lyonetia prunifoliella

28b begingang breed en kort, vaak overlopen en onzichtbaar => 29

29a larve slank met (korte) poten; verlaat voor de verpopping de mijn: Profenusa thomsoni

29b larve gedrongen, pootloos; verpopt zich in de mijn in een kogelvormige cocon: Orchestes jota

30a gangmijntje zonder frass, vaak vertakt: Recurvaria nanella

30b mijn met frass, niet vertakt => 31

31a mijn korter dan 1 cm: Bucculatrix demaryella, in Midden-Europa ook Bucculatrix thoracella

31b mijn veel langer => 32

32a mijn bovenzijdig, groenig: Agromyza alnibetulae

32b mijn voldiep, wittig => 33

33a mijn begint met een onder- of bovenzijdig glimmend eischaaltje; mijn begint nooit in de middennerf (Stigmella-soorten) => 34

33b mijn begint niet met een eischaaltje => 40

34a in het grootste deel van de gang ligt de frass in boogjes => 35

34b frass niet in boogjes => 36

35a frass (in verse mijnen) groen, de gehele gangbreedte vullend; mijn begint gewoonlijk nabij de hoofdnerf; eerste deel van de mijn sterk gewonden, het bladweefsel daar verbruind: Stigmella continuella

35b frass ook in verse mijnen zwart, niet de hele gangbreedte beslaand; mijn begint meestal nabij de bladrand; eerste deel van de mijn niet sterk gewonden, niet in een verbruinde plek: Stigmella sakhalinella

36a mijn lang en hoekig; frasslijn in de laatste helft van de mijn zeer smal => 37

36b mijn korter, meer gewonden; frasslijn in de laatste helft breder, vaak onderbroken => 38

37a eerste deel van de mijn over de gehele gangbreedte gevuld met groene (later bruine) frass: Stigmella lapponica

37b ook in het eerste deel van de mijn is de frasslijn zeer smal: Stigmella confusella en, warmteminnende soort uit Centraal-Europa, Stigmella naturnella

38a mijn in Lapland, op Betula nana: Stigmella tristis

38b mijn in meer gematigde streken, ook op andere berken => 39

39a eerste deel van de mijn onderzijdig, in doorzicht groen; meestal 1 mijn per blad, augustus-november: Stigmella luteella**

39b mijn van meet af aan voldiep, eerste deel in doorzicht helder; vaak meer dan één mijn per blad; juni-october: Stigmella betulicola**

40a het ei wordt afgezet in de middennerf (meestal in het apicale deel van het blad), en op die plaats een galachtige zwelling; vroege voorjaar: Anoplus plantaris

40b de mijn begint niet op de hoofdnerf; mijnen in de hele zomer: Lyonetia clerkella

41a mijnen aan bladbovenzijde => 42

41b mijnen aan bladonderzijde => 44

42a mijn zilverig; larve blijft tot en met de verpopping in de mijn: Phyllonorycter corylifoliella

42b mijn bruinig; larve verlaat spoedig de mijn, en leeft dan in een bladrol; er worden verscheidene rolletjes gemaakt en leeggegeten => 43

43a laatste bladrol in de lengte: Caloptilia populetorum (+ vermoedelijk C. suberinella)

43b laatste bladrol dwars: Caloptilia betulicola

44a gemineerde cuticula bruin; larven verlaten de mijn, leven dan in een bladrol of -plooi => 45

44b gemineerde cuticula (bleek)groen; larven verpoppen in de mijn => 47

45a larve ontwikkelt zich verder in een omgeslagen bladrand => 46

45b larve ontwikkelt zich verder in een opgerold blad => 43

45c larve ontwikkelt zich verder in een naar beneden dubbelgevouwen blad; alleen op Betula nana: Parornix polygrammella

46a mijn, op een willekeurige plaats, voorafgegaan door een kort gangetje: Parornix betulae en, in Noord-Europa, Parornix loganella

46b mijn aan bladrand, voorafgegaan door een lange gang, die vaak een eind de hoofdnerf volgt alvorens naar de rand af te buigen (zelden op berk): Caloptilia stigmatella

47a mijn 15-20 mm; onderepidermis met 7-12 plooien: Phyllonorycter cavella

47b mijn 10-15 mm; onderepidermis met 1-6 plooien => 48

48a pop vrij in de mijn; mineert bijna uitsluitend op zaailingen: Phyllonorycter anderidae

48b pop in een cocon (maar die kan bestaan uit niet meer dan een ijl spinsel); ook op volwassen bomen: Phyllonorycter ulmifoliella

49a zak slakkenhuisvormig: Apterona helicoidella

49b zak buisvormig => 50

50a lapjeszak => 51

50b samengestelde bladzak => 54

50c buisvormige bladzak => 56

50d spatelvormige bladzak => 57

50e pistoolzak, met een pallium => 58

51a zak plomp, achtereind sterk naar beneden gekromd => 52

51b zak slank, achtereind vrijwel recht => 53

52a zak trechtervormig; achtereind sterk versmald: Coleophora cornutella

52b zak pistoolvormig; achtereind niet versmald: Coleophora fuscocuprella

53a zak bruinzwart; mondhoek 0°: Coleophora violacea

53b zak wittig; mondhoek 10°-30°: Coleophora potentillae

54a uitbreidingen van de zak bestaande uit schijfjes bladepidermis => 55

54b uitbreidingen van de zak bestaan uit smalle ringetjes; zak gekromd; september-mei: Coleophora serratella (jeugdzak)

55a verbinding tussen de opeenvolgende delen van de zak naadloos; zak in voorjaar en -zomer eenkleurig; augustus-october: Coleophora orbitella

55b verbinding tussen de opeenvolgende delen van de zak slordig, met rafels en uitsteeksels; zak in voorjaar en -zomer tweekleurig; augustus-juni: Coleophora binderella

56a zak glad, afgeplat buisvomig met een nauw dorsale kiel; april-juni: Coleophora serratella (eindzak)

56b zak zeppelinvormig, met slordig uitstekende bladfragmenten: augustus-juli: Coleophora siccifolia

57a volgroeide zak 8-11 mm; mondhoek 45°: Coleophora milvipennis

57b zak 13 mm; mondhoek 15° (voorkomen op berk, althans in West-Europa, dubieus): Coleophora alnifoliae

58a mondhoek 70-80°; zak zwak glanzend: Coleophora anatipenella

58b mondhoek 30-45°; zak meestal ruw en dof: Coleophora betulella

100a Nematoda => 101

100b Acari => 102

100c Coleoptera => 103

100e Diptera => 104

100f Hemiptera => 105

100d Hymenoptera => 106

100g roesten => 107

100h brandschimmels => 108

100i echte en valse meeldauwen => 109

100j andere veroorzakers => 110

103 - Coleoptera

103a Apionidae: Betulapion simile

103b Curculionidae: Cryptorhynchus lapathi

107 - roesten

107a Pucciniastraceae: Melampsoridium betulinum

109 - echte en valse meeldauwen

109a Erysiphaceae: Erysiphe ornata; Phyllactinia betulae; Podosphaera erineophila

110 - andere veroorzakers

110a Bacteria, Rhizobiaceae: Agrobacterium tumefaciens

110b Fungi, Synchytriaceae: Synchytrium aureum

110c Fungi, Taphrinaceae: Taphrina bacteriosperma, betulae, betulina, carnea, nana

110d Lepidoptera, Incurvariidae: Lampronia fuscatella

110e Lepidopoptera, Tortricidae: ? Acleris notana; Cochylis nana; Epinotia bilunana, immundana

110f Lepidoptera, Yponomeutidae: Argyresthia brockeella, goedartella

110g Plantae, Santalaceae: Viscum album

Betula, birch

fam. Betulaceae

1a mine ends in a round or oval excision => 2

1b blotch without a preceding corridor (or this corridor < 3 mm) => 6

1c blotch preceded by a corridor => 23

1d corridor from start to end => 30

1e short corridor that widens so fast and strongly that it could as well be called a triangular blotch; elliptic larva always present: Rhamphus pulicarius

1f tentiform mine => 41

1g fleck mine => 49

1h galls, etc => 100

2a excision initially a blotch, without preceding corridor, or corridor < 5 mm => 3

2b excision preceded by a narrow or wide corridor >> 5 mm (may be inside a vein) => 4

3a excision elliptic, ca. 3 x 5 mm: first stage mines of Coleophora-species

3b excision circular, ca. 5 mm in diameter, often several in a leaf: Incurvaria pectinea

4a main part of the mine within the midrib and/or a thick vein; from there a short yellow-green corridor enters the leaf disk, followed by an oval excision: Heliozela hammoniella

4b mine not associated with midrib of thick veins => 5

5a corridor gradually widening, excision almost circular: Orchestes rusci

5b corridor very long, thread-thin, suddenly widening into an oval excision: Phylloporia bistrigella

6a at the start of the mine, on the leaf margin, a shining black drop of dried secretion: Trachys minutus

6b no such drom => 7

7a frass in threads of one or more cm long => 8

7b frass in grains, sometimes short thread fragments => 12

8a mine in the centre of the leaf => 25

8b mine at the leaf margin => 9

9a larvae usually communal; body very transparant, almost hyaline: Eriocrania cicatricella

9b larva solitary; body grey or white => 10

10a full grown larva slate grey; vacated mines still recognisable by the presence of a gray larval skin: Eriocrania sangii

10b larva milk white at all stages => 11

11a rear corners of the head capsule elongate and strongly sclerotised, black; because the head is retracted witihin the prothorax it appears as two vague black spots: Heringocrania unimaculella

11b prothorax without black spots: Eriocrania semipurpurella

12a blotch round, with a dark centre => 13

12b blotch round or not, never with a dark centre => 14

13a frass in clear arcs around the dark centre: Leucoptera malifoliella

13b outside the centre only little frass, not in arcs: Ectoedemia occultella

14a mine full depth, ≤ 2 mm, with a few grains of frass, with a hole through which the mine has been vacated: Swammerdamia caesiella

14b mine not like this => 15

15a larva squat, without feet (larva of Curculionidae) => 16

15b larva slender, with thoracal feet => 17

16a blotch comma- or pear-shaped, often several in a leaf; mine contains much frass, making it dark and inconspicuous; no cocoon: Rhamphus pulicarius

16b mine larger, more transparant, solitary; larva eventually makes a globular cocoon in the mine: Orchestes jota

17a larva bright pink, marbled; under the leaf a loose spinning is present, in which grains of ejected frass are caught: Atemelia torquatella

17b larva pale yellow (except for some eventual dark brown spots); sawfly larva => 18

18a mine begins in the centre of the leaf => 19

18b mine begins at the margin => 20

(The oldest part of the mine usually is less deep, therefore greener in transparancy, than later parts. The frass here in smaller grains. Often an oviposition scar is recognisable as a bright green flat wart at the leaf upper surface.)

19a larva: thoracal feet well developed; usally sveral mines, of different sizes, in a leaf: Fenusa pumila

19b thoracal feet reduced to stumps; mine usually solitary: Profenusa thomsoni

20a mine begins with a triangular section (one angle at the very leaf margin), crammed with frass; from there an, often quite large, blotch develops: Fenusella nana

20b mine a broad blotch from the beginning, without such an initial accumulation of frass => 21

21a oldest part of the mine, near the leaf margin, dark reddish brown; mine contains little frass; larva eventually makes a flat circular cocoon: Heterarthrus nemoratus

21b mine pale brown throughout, containing much frass; never a cocoon => 22

22a larvae leave the mine in June: Scolioneura vicina

22b larvae in the mine from August till October: Scolioneura betuleti

23a frass in long threads => 24

23b frass in grains or flakes => 25

24a initial corridor gradually widening into a blotch; larvae in mid May: Eriocrania salopiella

24b initial corridor suddenly, often under an angle, widening into a blotch; larvae in mid June: Eriocrania sparrmannella

25a mine begin in or on the midrib => 26

25b mine begins elsewhere => 27

26a oviposition, at the lower side of the midrib, leaves a big, deep, scar; from there a corridor starts that widens strongly close to the leaf tip; apical part of the leaf often crumpled: Orchestes testaceus

26b no strong scar; leaf tip never crumpled: Tachyerges pseudostigma & T. stigma

27a mine starts at an ( lower-surface, globular, shining) egg shell; from there a strongly tortuous gallery, that widens into a blotch: Ectoedemia minimella

27b no egg shell visible; initial corridor not strongly contorted => 28

28a initial corridor long and very slender: Lyonetia prunifoliella

28b initial corridor broad and short, often overrun by the later blotch => 29

29a larva slender with (short) thoracal feet; leaves the mine prior to pupation: Profenusa thomsoni

29b larva squat, without feet; pupates in the mine in a globular cocoon: Orchestes jota

30a small corridor, often branched, without frass: Recurvaria nanella

30b mine unbranched, containing frass => 31

31a mine shorter than 1 cm: Bucculatrix demaryella, in Central Europe also Bucculatrix thoracella

31b mine much longer => 32

32a mine upper-surface, greenish: Agromyza alnibetulae

32b mine full depth, whitish => 33

33a mine begins at an egg shell, that is globular and shining, and may be upper- or lower-surface; mine never starts in the midrib (Stigmella-species) => 34

33b no egg shell at the beginning of the corridor => 40

34a in most of the length of the corridor the frass is coiled => 35

34b frass nowhere coiled => 36

35a frass (in fresh mines) green, the coils filling the width of the corridor; initial part of the corridor contorted, making the leaf tissue turn brown: Stigmella continuella

35b frass black, even in fresh mines, never filling the width of the corridor; mine usually starting near the leaf margin; initial stretch not strongly contorted, not discolouring the leaf tissue: Stigmella sakhalinella

36a corridor long and angular; frass line in the second half of the mine very narrow => 37

36b corridor shorter, more tortuous; frass line in the second half wider, often interrupted => 38

37a first part of the corridor completely filled with green (turning brown) frass: Stigmella lapponica

37b also in the first part of the corridor the frass in a narrow median line: Stigmella confusella, and, thermophilic species from Central Europe, Stigmella naturnella

38a mine in Lapland, on Betula nana: Stigmella tristis

38b mine in more temperate regions, also on other Birch species => 39

39a initial part of the corridor lower-surface, green in transparancy; usually 1 mine per leaf; August-November: Stigmella luteella**

39b corridor full depth from the start on, transparant; often > 1 mines per leaf; June-October: Stigmella betulicola**

40a oviposition in the midrib (usually in its apical part) causing it to gall and swell; early spring: Anoplus plantaris

40b oviposition never in the midrib; mines throughout the summer: Lyonetia clerkella

41a mine upper-surface => 42

41b mine lower-surface => 44

42a mine silvery; pupation in the mine: Phyllonorycter corylifoliella

42b mine brownish; larva leaves the mine early and continues living in a rolled part of the leaf; several rolls are made and eaten out => 43

43a final leaf roll lengthwise: Caloptilia populetorum (+ probably C. suberinella)

43b final leaf rol transverse: Caloptilia betulicola

44a mined cuticula brownish; larva leaves the mine early and continues living in a folded or rolled part of the leaf; several rolls are made and eaten out => 45

44b mined cuticula (pale) green; pupation in the mine => 47

45a free living larva in a folded leaf margin => 46

45b free living larva in a rolled leaf => 43

45c free living larva in a leaf that has been folded up downwards; only on Betula nana: Parornix polygrammella

46a mine randomly positioned, preceded by a short corridor: Parornix betulae and, in northern Europe, Parornix loganella

46b mine at the leaf margin, preceded by a long corridor that often follows the midrib for some distance, before turning towards the leaf margin (rare on Birch): Caloptilia stigmatella

47a mine 15-20 mm; lower epidermis with 7-12 folds: Phyllonorycter cavella

47b mine 10-15 mm; lower epidermis with 1-6 folds => 48

48a pupa not in a cocoon; almost exclusively on seedlings: Phyllonorycter anderidae

48b pupa in a coccon (may consist of no more than a loose spinning); not restricted to seedlings: Phyllonorycter ulmifoliella

49a case helicoidal: Apterona helicoidella

49b case tubular => 50

50a lobe case => 51

50b composite leaf case => 54

50c tubular leaf case => 56

50d spatulate leaf case => 57

50e pistol case, with a pallium => 58

51a case plump, rear end strongly curved downwards => 52

51b case slender, rear end almost straight => 53

52a case funnel-shaped; rear end strongly narrowed: Coleophora cornutella

52b case pistol-shaped, rear end not strongly narrowed: Coleophora fuscocuprella

53a case brownish black; mouth angle 0°: Coleophora violacea

53b case whitish; mouth angle 10°-30°: Coleophora potentillae

54a extensions of the case made out of bits of epidermis => 55

54b extension made out of narrow rings; case strongly curved; September-May: Coleophora serratella (juvenile case)

55a connection between the consecutive parts of the case seamless; in spring and early summer case unicolorous; August-October: Coleophora orbitella

55b connection between the parts untidy, frayed; in spring and early summer these parts with diffferent colours; August-June: Coleophora binderella

56a case flattened tubular, with a narrow dorsal keel, smooth, April-June: Coleophora serratella (final case)

56b case zeppelin-shaped with intidy leaf fragments attached to it, August-July: Coleophora siccifolia

57a full grown case 8-11 mm; mouth angle 45°: Coleophora milvipennis

57b case 13 mm; mouth angle 15° (occurence on Birch, at least in western Europe, dubious): Coleophora alnifoliae

58a mouth angle 70-80°; case somewhat shiny; : Coleophora anatipenella

58b mouth angle 30-45°; case mostly rough and dull: Coleophora betulella

100a Nematoda => 101

100b Acari => 102

100c Coleoptera => 103

100e Diptera => 104

100f Hemiptera => 105

100d Hymenoptera => 106

100g rust fungi => 107

100h smut fungi => 108

100i powdery and downy mildews => 109

100j other causers => 110

103 - Coleoptera

103a Apionidae: Betulapion simile

103b Curculionidae: Cryptorhynchus lapathi

107 - rust fungi

107a Pucciniastraceae: Melampsoridium betulinum

109 - powdery and downy mildews

109a Erysiphaceae: Erysiphe ornata; Phyllactinia betulae; Podosphaera erineophila

110 - other causers

110a Bacteria, Rhizobiaceae: Agrobacterium tumefaciens

110b Fungi, Synchytriaceae: Synchytrium aureum

110c Fungi, Taphrinaceae: Taphrina bacteriosperma, betulae, betulina, carnea, nana

110d Lepidoptera, Incurvariidae: Lampronia fuscatella

110e Lepidopoptera, Tortricidae: ? Acleris notana; Cochylis nana; Epinotia bilunana, immundana

110f Lepidoptera, Yponomeutidae: Argyresthia brockeella, goedartella

110g Plantae, Santalaceae: Viscum album

** A mine of St. glutinosae has recently been found by van Nieukerken on birch.

Not included in the key: Coleophora currucipennella, prunifoliae, vacciniella; Ectoedemia subbimaculella; Parornix traugotti; Roeslerstammia erxlebella; Stigmella alnetella; Swammerdamia passerella.

09/10/2016