Chrysanthemum ganzenbloem

Incl. Dendranthema, Glebionis, Leucanthemum.

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a vlekmijn => 2

1b gang- of blaasmijn => 6

1c mijn klein, van onbepaalde vorm; oudere larven leven vrij tussen samengesponnen bladeren => 23

1d gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a gaatje in de mijn slordig, niet mooi rond; zak slakkenhuisvormig: Apterona helicoidella

2b gaatje zuiver rond; zak min of meer buisvormig => 3

3a buisvormige zijden zak; zak gelig of grijzig => 4

3b schedezak; zak zwart => 5

4a mondhoek ca 30°: C. folllicularis

4b mondhoek 45-60°: Coleophora trochilella

5a zak met enkele diagonaal verlopende ribbels: Coleophora caelebipennella

5b achter de mond enkele dwarse ribbels: Coleophora rectilineella

6a mijn voldiep, doorzichtig; larve met gechitiniseerde kop => 7

6b mijn onder- of bovenzijzig, ondoorzichtig; larve een made => 11

7a mijn begint als gang in bladbasis of hoofdnerf (na mijnwisseling meer blazig en niet gebonden aan nerf of bladbasis); larve pootloos: Orthochaetes insignis en setiger

7b mijnbegin niet geassocieerd met bladbasis of hoofdnerf; larve met borstpoten => 8

8a blazige, geplooide, mijn, die niet gangachtig begint: Scrobipalpa chrysanthemella

8b mijn, in elk geval aan het begin, een duidelijke gang => 9

9a op Leucanthemum pallens, gebergtesoort: Bucculatrix alpina

9b op Leucanthemum vulgare, laaglandsoort => 10

9b van Bucculatrix latviaella is de mijn onbekend, en bestaat er over de waardplant slechts een vermoeden

10a gang draaddun van begin tot eind; oudere larve leeft vrij, maakt dan venstervraat: Bucculatrix nigricomella

10b gang verbreedt zich verderop sterk; larve mineert levenslang: Bucculatrix argentisignella

11a secundaire vraatlijnen duidelijk; mijn een blaas of brede gang => 12

11b geen secundaire vraatlijnen herkenbaar => 14

12a elliptische gelobde blaasmijn, bovenop de hoofdnerf, met een centrale zwarte vlek (frassconcentratie): Trypeta artemisiae

12b brede gang, gecentreerd op hoofd- en zijnerven; frass verspreid, daarom geen centrale zwarte vlek => 13

13a zijtakken van de mijn naar de bladrand toe verbreed: Cornutrypeta spinifrons

13b zijtaken niet distaal verbreed: Trypeta zoe

14a primaire blaasmijn, meestal met verscheidene larven; in kassen: Amauromyza maculosa

14b gangmijn, soms secundaire blaasmijn, met één larve; al dan niet in kassen => 15

15a veervormig vertakte gangmijn, gecentreerd op hoofd- en zijnerven: Liriomyza strigata

15b mijn minder sterk vertakt, niet geassocieerd met de nerven => 16

16a verpopping in de mijn; puparium in een, meestal onderzijdige, poppenwieg: Chromatomyia cf. syngenesiae (maar zie ook Ch ciliata en paraciliata)

16b verpopping buiten de mijn => 17

17a frass in losse korrels => 18

17b frass in sliertjes => 19

18a frasskorrels vrij groot, ver uiteenliggend: Phytomyza leucanthemi

18b frasskorrels klein, dicht opeen: Phytomyza tanaceti

19a hoofdzakelijk op Achillea en Anthemis, maar vermeld van Chrysanthemum coronarium: Liriomyza ptarmicae

19b hoofdzakelijk op kaschrysanten* => 20

20a larve: achterspiraculum met 3 papillen => 21

20b larve: achterspiraculum met ≥ 6 papillen => 22

21a gang sterk gekronkeld, bijna een secundaire blaas: Liriomyza trifolii

21b gang slingert los door het blad: Liriomyza sativae

22a mijn meestal in het basale deel van het blad, vaak in contact met de hoofdnerf, vaak tussen twee zijnerven: Liriomyza huidobrensis

22b mijn op een willekeurig deel van de bladschijf, zijnerven overschrijdend; oudere deel van de gang vaak bovenzijdig: Liriomyza bryoniae

23a larve: pinacula kleurloos (wel is de basis van de setae zelf zwart): Cnephasia incertana

23b pinacula zwart => 24

24a larve: achter/onder de anus een chitineuze kam: Cnephasia asseclana

24b geen anale kam aanwezig: Cnephasia stephensiana

* Voor het met zekerheid determineren van deze vier, vaak zeer schadelijke soorten, is een studie van de mannelijke genitalien of een biochemische aanpak noodzakelijk.

Niet in de tabel opgenomen: Liriomyza dendranthemae.

mod 8.v.2019