Cornus kornoelje

incl. Swida.

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a gangmijn: Phytomyza agromyzina

1b blaasmijn, waarin uiteindelijk een uitsnede wordt gemaakt => 2

1c vlekmijn => 6

1d gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a uitsnede bijna zo groot de blaas zelf, rond; het ovipositie-litteken op enkele mm van de bladrand => 3

2b uitsnede veel kleiner dan de blaas, ovaal; ovipositie óp de bladrand => 4

3a minerende larve in mei-juni: Incurvaria pectinea

3b minerende larve in juli-augustus: Incurvaria oehlmanniella

4a voorafgaand aan de mijn 2-7 prikjes in het blad; lengte van de uitsnede 5.5-7 mm; larve: abdomen dorsaal geheel wit, op de anale plaat na: Antispila metallella (let op: de larven liggen gewoonlijk ruggelings in de mijn)

4b niet zulke prikjes; uitsnede wat kleiner, 4-5.5 mm; larve: abdomen dorsaal wit of grijs met een mediane rij zwarte vlekjes => 5

5a Op Cornus mas: Antispila treitschkiella.

5b Op Cornus sanguinea (zelden C. alba): Antispila petryi.

6a pistoolzak: Coleophora anatipenella

6b lapjeszak => 7

7a de epidermis-lapjes waarmee de zak wordt vergroot, worden gesneden uit de bovenepidermis: Coleophora violacea

7b … uit de onderepidemis: Coleophora ahenella

Opmerkelijk is dat van de mineerders op kornoelje niet minder dan vier soorten behoren tot twee nauwverwante families, die gekenmerkt zijn door het maken van een blaasmijn, die eindigt in een uitsnede. Een uitvoerige bespreking van dit verschijnsel wordt gegeven door Dziurzynski (1958a).

Steven IJland vond in 2009 drie onderzijdige vouwmijnen op één blad van C. sanguinea, een met duidelijke plooien. De soort kon niet worden vastgesteld.

mod 12.iv.2019