Stellaria sterrenmuur

Incl. Myosoton (= Malachium) aquaticum, watermuur.

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a vlekmijn => 2

1b gang- of blaasmijn => 4

1c gallen etc. => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a zak met een rugkiel die zich al voor het midden splitst in twee parallelle kielen: Coleophora lithargyrinella

2b rugkiel, indien al aanwezig, niet gespleten => 3

3a zak ca 6 mm, achter de mond een duidelijke knik, mondhoek daardoor 30°: Coleophora chalcogrammella

3b zak ca 8 mm, geen duidelijke knik achter de mond, mondhoek 45°: Coleophora solitariella

4a larven met poten en een gechitiniseerde kop => 5

4b larven zijn pootloze en (schijnbaar) koploze maden => 13

5a mijn niet bijzonder klein, duidelijk samengetrokken; larve mineert levenslang; zuidoost-Mediterrane soort: Cnephasia lineata

5b mijnen klein, vlak; oudere larve tussen samengesponnen bladeren => 6

6a larven donker gekleurd, mijnen van onbestemde vorm => 7

6b larven lichtgekleurd, kleine gangmijntjes (sleutel deels gebaseerd op Bland e.a., 2002a) => 9

7a larve: pinacula kleurloos (wel is de basis van de setae zelf zwart): Cnephasia incertana

7b pinacula zwart => 8

8a larve: achter/onder de anus een chitineuze kam: Cnephasia asseclana

8b geen anale kam aanwezig: Cnephasia stephensiana

9a lichaam groenig wit met vijf vage roze lengtelijnen: Caryocolum tricolorella

9b lichaam groenig zonder roze lengtelijnen => 10

10a op Stellaria holostea => 11

10b op Stellaria graminea, media => 12

10c op Stellaria uliginosa: Caryocolum kroesmanniella

11a minerende larve in het late najaar; lichaam lichtgroen: Caryocolum kroesmanniella

11b minerende larve in het vroege voorjaar; lichaam geelgroen: Caryocolum blandella

12a laaglandsoort: Caryocolum junctella

12b gebergtesoort: Caryocolum petrophila

13a larve boort ook in het bovenste deel van de stengel; top van de plant verwelkt: Delia echinata

13b larve alleen in de bladeren => 14

14a kort gangetje dat lijkt te eindigen op een dikke nerf: Ophiomyia melandricaulis

14b anders => 15

15a mijn een gang van begin tot eind (eventueel wel een secundaire blaas vormend) => 16

15b mijn, in elk geval uiteindelijk, een primaire blaas => 19

16a frass in geïsoleerde korrels; verpopping in de mijn, in een, gewoonlijk onderzijdige, poppenwieg: Chromatomyia horticola

16b frass in korte sliertjes; verpopping buiten de mijn => 17

17a gang veervormig vertakt; hoofd- en zijtakken bovenop hoofd- en zijnerven: Liriomyza strigata

17b gang weinig vertakt; de gang volgt niet de nervatuur => 18

18a levende larve geheel geel; soort uit warmere streken en uit kassen: Liriomyza trifolii

18b levende larve gedeeltelijk geel; soort van meer gematigde klimaten: Liriomyza bryoniae

19a frass in grove, zwartgroene klonten; aan begin van de mijn een (of meer?) langgerekte eischaaltjes => 20

19b frass niet zo grof; geen eischaaltje aan het begin van de mijn => 21

20a mijn overwegend blaasachtig: Delia coronariae & Pegomya flavifrons

20b mijn over grote delen een gang: Pegomya holosteae

21a mijn wittig, met weinig (fijne, zwarte) frasskorrels: Amauromyza flavifrons

21b mijn groenig, frass poederfijn in groene wolken, vooral langs de randen van de mijn of op het eind van korte uitlopers ervan: Scaptomyza graminum

Niet in de tabel opgenomen: Caryocolum alsinella (waarschijnlijk niet op Stellaria), Caryocolum proxima, Caryocolum vicinella (waarschijnlijk nooit bladmineerders); Scaptomyza griseola (twijfelachtig).

mod 10.v.2019