Laburnum gouden regen

Laburnocytisus.

Askew (1968a) bespreekt de biologie en de parasitoiden van de mineerders van gouden regen.

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a vlekmijn, larve mineert vanuit een zak => 2

1b vlekmijn, larve mineert levend tussen twee samengesponnen bladeren: Mirificarma cytisella

1c vouwmijn => 3

1d gang- of blaasmijn => 4

1e gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a achterste deel van de zak sterk naar onderen gekromd: Coleophora colutella

2b achterste deel van de zak recht of slechts zwak gekromd: Coleophora trifariella

3a mijn sterk samengetrokken, larve solitair: Phyllonorycter staintoniella

3b mijn vlak, verscheidene larven en cocons in de mijn: Macrosaccus robiniella

4a mijn zonder frass; begint stervormig bovenop de hoofdnerf, later grote blaas: Micrurapteryx kollariella

4b mijn bevat wel frass, begint niet op de hoofdnerf => 5

5a mijn gangvormig, niet of nauwelijks wijder wordend, niet de bladrand volgend: Phytomyza cytisi

5b smal gangmijntje, overgaand in een rond blaasje: Leucoptera laburnella (jeugdmijn)

5c uiteindelijk een secundaire blaasmijn => 6

6a frass in brede concentrische bogen; larve met gechitiniseerde kop; mijn niet langs de bladrand: Leucoptera laburnella

6b frass niet in bogen; larve een made; mijn langs bladrand: Agromyza demeijereri

mod 20.v.2019