Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Quercus

Quercus eik

(For a dichotomous table for galls on Quercus by Hans Roskam click here)

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a mijn eindigt met een uitsnede => 2

1b blaasmijn, eventueel met korte, snel breder wordende begingang => 7

1c blaasmijn, voorafgegaan door een slanke en lange begingang => 15

1d gangmijn van begin tot eind => 19

1e vouwmijn => 29

1f vlekmijn => 51

1g gallen etc. => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a uitsnede alleen uit bovenepidermis, rond: Tischeria decidua

2b uitsnede is een ponsje uit het hele blad, rond of ovaal => 3

3a uitsnede elliptisch, voorafgegaan door korte gang die ontspringt op bladbasis of hoofdnerf: Heliozela sericiella

3b uitsnede rond => 4

4a uitsnede voorafgegaan door een lange gang langs de bladrand => 5

4b geen voorafgaande gang => 6

5a uitsnede pal tegen de bladrand: Orchestes erythropus

5b uitsnede een eindweegs dieper in het blad: Orchestes avellanae

6a larve: pronotum bruin, meso- en metanotum licht met twee kleine zwarte vlekjes: Incurvaria masculella

6b pro-, meso- en metanotum dorsaal met een grote donkere dwarsvlek: Incurvaria koerneriella

7a frass in draadjes of draadstukjes; mijnen in het jonge blad, april-mei => 8

7b frass in losse korrels; mijnen in de zomer => 9

8a frass ten dele in lange draden, los in de mijn; larve wit: Dyseriocrania subpurpurella

8b frass in korte draadstukjes, geplakt tegen de bovenepidermis; larve grijs: Orchestes pilosus

9a mijn voldiep en doorzichtig, < 3 mm => 10

9b mijn bovenzijdig, ondoorzichtig, groter => 12

10a mijn in nerfoksel, driehoekig => 11

10b mijn vrij in het blad, rond of ovaal (jonge mijnen van Incurvaria) => 6

11a bladverliezende eiken; larven in juli-augustus: Caloptilia alchimiella

11b bladverliezende eiken; larven in mei en dan weer augustus: Caloptilia robustella

11b altijdgroene eiken: Povolnya leucapennella

12a mijn met schijfvormige cocon die al vroeg wordt aangelegd, waarin de larve vaak gekromd ligt te rusten; bovenepidermis tamelijk ondoorzichtig => 13

12b mijn grijsgroen of groenig, zonder cocon, larve nooit gekromd; bovenepidermis doorzichtig: Profenusa pygmaea

13a mijn met concentrische donkerder gekleurde booglijntjes, rondom een punt aan de zijkant van de mijn; mijn niet melkwit => 14

13b mijn zonder booglijntjes, melkwit, soms ten dele oranje overlopen: Tischeria ekebladella

14a mijn steenrood met donkerbruine booglijnen: Tischeria dodonaea

14b mijn geelbruin met grijsgroene booglijntjes: Tischeria decidua (jonge mijn)

15a mijn begint bij een ovipositielitteken op een nerfonderzijde: Orchestes quercus

15b mijn begint niet bij een ovipositielitteken => 16

16a gang en blaas grotendeels epidermaal, zilverig; meestal een aantal samengevloeide mijnen op een blad; geen eischaaltje aan gangbegin: Acrocercops brongniardella

16b mijn niet epidermaal, zelden of nooit samenvloeiend; gang begint bij een glimmend eischaaltje => 17

17a in de blaas bevindt zich een snede, waardoor een deel van de frass naar buiten wordt gewerkt: Ectoedemia subbimaculella

17b geen snede in de blaas => 18

18a ganggedeelte loopt in de richting van, de hoofdnerf; larve met bruinzwarte kop; meestal in vergeelde, of al gevallen bladeren, in groen eiland: Ectoedemia heringi

18b ganggedeelte loopt langs de hoofdnerf, of van de hoofdnerf weg; larve met lichtbruine kop; meestal in groene bladeren: Ectoedemia albifasciella

19a mijn < 1 cm, haakvormig, in nerfoksel => 20

19b mijn langer, niet in nerfoksel => 22

20a op Quercus robur: Bucculatrix ulmella

20b op Quercus rubra => 21

21a vrijlevende larve grijs, wit gevlekt; cocoon crême of gelig: Bucculatrix ulmella

21b vrijlevende larve wit; cocon hagelwit: Bucculatrix ainsliella

22a gang begint niet bij een zichtbaar eischaaltje, loopt langs de bladrand: Orchestes avellanae (jonge mijn)

22b gang begint bij een glimmend eischaaltje, loopt soms langs de bladrand => 23

23a gang zeer sterk gekronkeld, zelden secundaire blaas: Ectoedemia quinquella

23b gang minder sterk gekronkeld => 24

24a gang over hele breedte gevuld met (in verse toestand groene, later bruine) frass in boogjes; larve groen: Stigmella basiguttella

24b frass bruin of zwart, in brede of smalle band, altijd een heldere zoom vrij latend (de volgende soorten kunnen niet met zekerheid worden gedetermineerd aan de hand van de mijnen) => 25

25a frass in smalle middenlijn, nooit breder dan een derde van de gang => 26

25b frass in boogjes of verspreid, frasslijn breder dan de halve gang => 27

26a gang uitgesproken lang en slank: Stigmella roborella

26b gang breder en korter: Stigmella atricapitella

27a mijn zeer lang; ei aan bladonderzijde: Stigmella svenssoni

27b mijn niet opvallend lang; ei aan onder- of bovenzijde => 28

28a ei meestal aan bladonderzijde, meestal vlakbij een dikke nerf: Stigmella samiatella

28b ei aan bladboven- of onderzijde, meestal vrij op het blad: Stigmella ruficapitella

29a op wintergroene eiken => 30

29b op bladverliezende eiken => 38

30a mijn bovenzijdig: Phyllonorycter belotella

30b mijn onderzijdig = 31

31a op Quercus macrolepis: er-trojana”>Phyllonorycter trojana

31c op Quercus faginea: Phyllonorycter barbarella

31d op Quercus coccifera => 32

31e op andere eiken (met name Quercus ilex en Q. suber) => 36

32a soorten uit het westelijke Middellandse Zee-gebied => 33

32b soorten uit het oostelijke Middellandse Zee-gebied => 35

33a mijn zeer groot; pop in een ijle cocon, frass in een klomp: Phyllonorycter endryella

33b mijn kleiner => 34

34a cocon met frass bedekt: Phyllonorycter rebimbasi

34b onbekend: Phyllonorycter cocciferella

35a soort van Kreta: Phyllonorycter gerfriedi

35b soort van het Griekse vasteland: Phyllonorycter olympica

36a mijn zeer groot; pop in een ijle cocon, frass in een klomp: Phyllonorycter endryella

36b mijn niet opvallend groot => 37

37a de meeste frass ligt aan weerszijden van de cocon: Phyllonorycter suberifoliella

37b de meeste frass ligt als een klomp in de mijn: Phyllonorycter messaniella

38a cremaster, van boven gezien, met twee doorns; abdomen segment 9 met lateraal aan weerszijden 2 korte doorns; pro- en mesonotum met aan de voorzijde lateraal een kort doorntje => 39

38b cremaster, van boven gezien met vier doorns; geen doorns op adb9 en pro- en mesonotum => 40

38c mijnen en poppen van Phyllonorycter amseli, Phyllonorycter barbarella, Phyllonorycter kusdasi en Phyllonorycter sublautella zijn niet of onvoldoende beschreven

39a binnenste paar doorns van het cremaster (alleen ventraal zichtbaar) ver uiteen; alleen op Quercus pubescens: Phyllonorycter delitella

39b binnenste paar doorns dicht bijeen: Phyllonorycter harrisella

40a abdomen 2-4 lateraal met een zware, naar buiten gekromde doorn => 41

40b abd2-4 zonder zo’n doorn => 44

41a abdomen 7 ventraal met een groep naar buiten wijzende stekeltjes => 42

41b abd7 zonder zo’n groep => 43

42a metanotum met aan de buiten-achterzijde een putje: Phyllonorycter muelleriella

42b metanotum aan de buiten-achterzijde zonder putje: Phyllonorycter messaniella

43a bestekeling van abdomen 9-10 dorsaal zeer grof: Phyllonorycter quercifoliella

43b bestekeling hier fijn: Phyllonorycter parisiella

44a binenste paar doorns van het cremaster aan hun basis zeer breed: Phyllonorycter ilicifoliella

44b basis van binnenste en buitenste paar niet sterk verschillend => 45

45a binnenste paar doorns zeer kort: Phyllonorycter scitulella

45b binnenste paar doorns niet zeer kort => 46

46a buitenste paar doorns slank, op een smalle basis => 47

46b buitenste paar doorns kort en plomp, op een brede basis => 49

47a binnenste en buitenste doorns even lang: Phyllonorycter abrasella

47b binnenste doorns half tot 3/4 de lengte van de buitenste => 48

48a metanotum aan de achterrand lateraal met een putje: Phyllonorycter roboris

48b metanotum zonder zo’n putje: Phyllonorycter distentella

49a cremaster van ventraal gezien even lang als breed; mijn zeer groot: Phyllonorycter lautella

49b cremaster korter dan breed => 50

50a uitsteeksel aan de voorbovenzijde van de pop dorsaal glad; mijn klein: Phyllonorycter heegeriella

50b uitsteeksel aan de voorbovenzijde van de pop dorsaal ruw: Phyllonorycter kuhlweiniella

51a zak bestaat een stukje plantenstengel, meestal een gras: Epidola stigma

51b buisvormige zijden zak => 52

51c pistoolzak => 53

52a larve: mesonotum met een paar rondachtige chitineplaatjes: Coleophora lutipennella

52b mesonotum met een paar wigvormige chitineplaatjes: Coleophora flavipennella

53a “pistoolhandvat” met oor-achtige aanhangsels: Coleophora currucipennella

53b pistoolhandvat met een korte of lange transparante afhangende mantel, maar zonder oren => 54

53c geen mantel, geen aanhangsels: Coleophora anatipenella

54a mantel de hele zak bedekkend, bijna tot de mondrand reikend: Coleophora kuehnella

54b mantel minder groot, tot ongeveer halverwege de mondrand: Coleophora ibipennella

Tabellen voor alle parasieten per soort

Laatste bewerking 1.i.2021