Salix wilg

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a mijn eindigt met een ronde uitsnede: Tachyerges decoratus

1b vouwmijn => 2

1c boven- of onderzijdige blaasmijn => 8

1d voldiepe blaasmijn => 16

1e gangmijn => 25

1f voldiepe gangmijn die zich zo snel verbreedt dat het ook een driehoekige blaas mag heten; altijd een elliptische larve aanwezig: Rhamphus pulicarius

1g zeer lange gang in de bast van een jonge twijg, eindigend in een wit coconnetje bovenop de bladbasis: Phyllocnistis canariensis, Ph. ramulicola

1h vlekmijn => 32

1i gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a mijn < 8 mm; larve leeft later in omgeslagen bladrand: Caloptilia stigmatella

2b mijn > 15 mm, verpopping in de mijn => 3

3a op Salix repens: Phyllonorycter quinqueguttella

3b op Salix aurita, caprea of cinerea => 4

3c op andere (lijn- of lancetbladerige) wilgen => 5

4a pop in een stevige, goudkleurige of goudbruine cocon: Phyllonorycter dubitella & Ph. hilarella

4b pop in een ijle, witte of lichtgele cocon: Phyllonorycter salicicolella

5a pop ligt niet in een cocon: cremaster met 1 paar doorns; uitsluitend bij Salix viminalis: Phyllonorycter viminetorum

5b pop in een (soms ijle) cocon; cremaster met 2 paar doorns => 6

6a pop: cremaster glad; doorns zeer klein, ook met de microsccop bijna niet te zien: Phyllonorycter pastorella

6b cremaster pukkelig; doorns niet zo klein => 7

7a binnenste paar doorns naar boven gericht: Phyllonorycter connexella</p >

7b binnenste paar doorns naar binnen gericht: Phyllonorycter salictella

8a volgroeide mijn zwart of bruinzwart => 9

8b mijn lichter van tint => 13

9a bovenop de mijn, bij een nerf, een groepje platte glinsterende eischaaltjes: Leucoptera sinuella

9b geen eischaaltjes te zien => 10

10a bij verse mijnen vraatlijnen zichtbaar; larve een made: Agromyza albitarsis

10b geen vraatlijnen zichtbaar; larve met gechitiniseerde kop => 11

11a mijnen groot; ovipositielittekens herkenbaar als lichtbruine transparante plekjes in de mijn (lastig te onderscheiden Zeugophora-soorten) => 12

11b mijnen 1-2 cm; geen ovipositielittekens herkenbaar: Isochnus sequensi, I. angustifrons, & I foliorum

12a larve: pronotum met 6 paar setae: Zeugophora flavicollis

12b pronotum met 9 paar setae: Zeugophora subspinosa

13a bovenop de ovipositieplek (bijna altijd de bladtop) een glimmend-zwart druppeltje verhard secreet: Trachys minutus

13b niet zo’n druppeltje zichtbaar => 14

14a mijn > 10 mm, jong bleekgroen, larve een made => 15

14b mijn < 8 mm, zilverig, roestbruin of bruin; larve met gechitiniseerde kop: Caloptilia stigmatella

15a Mediterrane soort; larve: kopskelet van het Agromyzinae-type: Japanagromyza salicifolii

15b West- en Centraal-Europese soort; kopskelet van het Phytomyzinae-type: Aulagromyza tridentata

16a mijn begint bij een bol glimmend-zwart eischaaltje => 17

16b geen ei zichtbaar => 19

17a primaire blaasmijn, altijd tegen de hoofdnerf aan (begint in feite daarbinnen); ei bovenop de hoofdnerf; frass in een V-patroon; vaak in groen eiland: Ectoedemia intimella

17b secundaire blaasmijn, niet geassocieerd met hoofdnerf; frass anders => 18

18a op Salix aurita, caprea, cinerea en bastaarden: Stigmella salicis

18b op Salix repens: Stigmella zelleriella

19a begin van de mijn driehoekig, stijf tegen de middennerf aan; de frass ligt hier in een V-vormig patroon; vaak in groen eiland: Ectoedemia intimella

19b mijn niet geassociëerd met de middennerf, frass niet in een V => 20

20a larve zonder stemmata; verpopping in de mijn, in kogelvormige cocon => 21

20b larve een (meer?) stemmata; een eventuele cocon nooit kogelvormig => 22

21a ovipositie in de hoofdnerf of een dikke zijnerf: Tachyerges salicis

21b ovipositie in de bladschijf, niet in een dikke nerf: Tachyerges rufitarsis

22a mijn in vroege voorjaar; verscheidene larven in een mijn; later leven ze in een gemeenschappelijk spinsel: Yponomeuta rorrella

22b mijn later, met één larve; larve blijft tot de verpopping of kort daarvoor in de mijn => 23

23a verpopping in de mijn, in een schijfvormige cocon; blaasmijn, die zich uitbreidt vanuit de bladtop, de gehele breedte van het blad innemend; larve met tot stompjes gereduceerde poten: Heterarthrus microcephalus

23b larve verlaat voor de verpopping de mijn; blaasmijn niet vanuit de bladtop beginnend; larve met relatief slanke poten => 24

24a larve met op elk abdomensegment lateraal een zwart vlekje; gebergtesoort op allerei wilgen: Scolioneura tirolensis

24b larve zonder laterale vlekjes; laaglandsoort op Salix viminalis: Fenusella wuestneii

24c larve zonder laterale vlekjes; laaglandsoort op Salix lapponum: Fenusella septentrionalis

25a gang normaal van diepte, groenig, geheel verlopend tot het blad => 26

25b gang epidermaal, zilverig of gelig, deels lopend over de bladsteel en schors => 31

26a gang boven- of onderzijdig => 27

26b gang voldiep => 28

27a gang breed: Agromyza salicina

27b gang uitgesproken slank: Aulagromyza fulvicornis

28a mijn begint bij een glimmend-zwart bol eischaaltje => 29

28b geen eischaaltje aan het beging van de mijn => 30

29a op Salix aurita, caprea, cinerea en bastaarden: Stigmella salicis

29b opSalix repens: Stigmella zelleriella

29c op smalbladerige Salix-soorten: Stigmella obliquella

30a mijn begint aan de bladbasis, op de hoofdnerf, slingert door het blad, en eindigt bij een kogelronde cocon, waarin de verpopping plaatsvindt: Tachyerges pseudostigma & T. stigma

30b mijn begint aan de bladtop, loopt langs de rand naar beneden, en eindigt bij een cirkelronde uitsnede: Tachyerges decoratus

30c mijn slingert vrij door het blad: Lyonetia clerkella

31a gang gelig, frasslijn smal en scherp: Phyllocnistis valentinensis

31b gang zilverig, frasslijn breder, vager begrensd: Phyllocnistis saligna

32a lapjeszak: Coleophora potentillae

32b samengestelde bladzak: Coleophora lusciniaepennella

32c pistoolzak => 33

33a “handgreep” van het pistool met oorachtige aanhangsels: Coleophora currucipennella

33b geen oorachtige aanhangsels => 34

34a zak aan weerszijden met grijze bakkebaard van plantenhaar: Coleophora albidella

34b geen bakkebaard => 35

35 zak glanzend-zwart; gewone soort, polyfaag: Coleophora anatipenella

35b zak grijzig; zeldzame soort, alleen op breedbladerige wilgen: Coleophora zelleriella

Niet in de tabel opgenomen: Caenorhinus mannerheimii; Callisto coffeella; Coleophora rectilineella, serratella; Ectoedemia occultella; Gypsonoma minutana, oppressana; Lyonetia pulverulentella; labyrinthella, valentinensis; Phyllonorycter heringiella, rolandi; Stigmella arbusculae, benanderella, nivenburgensis, pallidiciliella, vimineticola; Trachys reflexus.

mod 6.iv.2019